Professor Hans Boutellier weet ook geen oplossing meer. En dat is minstens zo schokkend als de uitkomsten van het onderzoek van Forum en het Verweij-Jonkerinstituut dat maandag werd gepresenteerd: ’Een vreemde in eigen land’. We weten het inmiddels allang: er blijft niet alleen een groep moeilijk bereikbare allochtonen aan de desolate onderkant van de samenleving hangen, maar hun Nederlandse buren voelen zich zo mogelijk nog slechter begrepen en bediend.
Zij geven de schuld van hun benarde situatie aan de buitenlanders. Die domineren de buurt met hun afwijkende gewoonten, die weigeren zich aan te passen, die zijn crimineel en die krijgen niettemin bij overheidsdiensten voorrang. Het beleid gericht op verbetering van de integratie van allochtonen brengt in zijn kielzog de rancune van de autochtone bevolking met zich mee. Het is een prisoner’s dilemma: doe je niets, is het fout; doe je wel wat, is het ook niet goed. Het vertrouwen in de overheid is weg. Men voelt zich niet meer beschermd. Sterker nog: de overheid is de vijand. Als die niets voor je doet, moet je het recht in eigen hand nemen.
Er wordt veel gesproken over een dreigende tweedeling in de maatschappij. Rechts/links, seculier/religieus, conservatief/progressief, populist/democraat. Termen waar de mensen in de Utrechtse Sterrenwijk niets mee kunnen. Die zien een andere tegenstelling: ’wij, Nederlandse bewoners van de Sterrenwijk’ en ’zij, buitenlanders’. ’Wij’ delven het onderspit. ’Zij, buitenlanders’ op hun beurt voelen zich behandeld als tweederangsburgers, ook als ze perfect geïntegreerd zijn. De fouten van enkelingen worden aan de hele groep toegeschreven. ’Zij’ vrezen verlies van hun identiteit.
Of het nu waar is of niet dat buitenlanders eerder een huis krijgen, sneller een uitkering, meer hulp bij een opleiding en sollicitatie, doet er minder toe dan de perceptie. De autochtone bevolking neemt de situatie als zodanig waar. Het is een ingeslepen oordeel waar ieder flintertje bewijs, iedere roddel de juistheid van bevestigt. En kennelijk is er nog een herinnering aan een vroegere situatie, een verhaal over een andere tijd, een betere tijd. Dat verhaal is waarschijnlijk even fictief als het verhaal over het heden, maar als er geen toekomst is om hoop op te hebben, dan is het bestaan van een beter verleden een kapstok voor het verlangen: We waren nog onder elkaar. Of het geheugen van de bewoners van de krachtwijken daadwerkelijk zo ver in de tijd terugreikt, maakt niet uit. Er is een ’vroeger’, toen alles anders was. Datzelfde geldt voor de buitenlanders.
Vroeger was er een tweedeling tussen de bezittende klasse en de arbeidende klasse, tussen witte boorden en blauwe overalls, tussen arbeiderswijken en suburbia. Hoe fel die tegenstelling ook was en hoe bitter de armoede in de achterbuurt: binnen de eigen wijk en de eigen groep was een eenheid. Er was solidariteit. Je trok met elkaar op. Je hielp elkaar. Je zette je af tegen de bazen. De luxe van de bezittende klasse was onzichtbaar. Het leven van rijken speelde zich af in gebieden waar de gewone man niet kwam. De godsdienst disciplineerde het ongeduld: de arme man komt hoger in de hemel dan de rijke. De afgunst werd niet gevoed. Nu wel. En nu is de onderklasse, om dat ouderwetse maar duidelijke woord weer eens te gebruiken, tot overmaat van ramp in zichzelf verdeeld en wordt er een broederstrijd uitgevochten in een wetteloze ruimte waar geen van beide groeperingen zich beschermd weet door de regerende klasse. Beide groeperingen zijn het slachtoffer van het zondebokmechanisme, waarmee de maatschappij zich zuivert van schuld. De boze blanken worden uitgemaakt voor dom rechts vee, de ontwortelde allochtonen zijn radicale criminelen die het op onze beschaving hebben gemunt. Blame the victim.
Is er wel een middel om uit de impasse te komen? De onderlinge solidariteit moet worden hersteld, de tweedeling in wijken opgeheven. Geef hun een gezamenlijke vijand: het vooroordeel. Met de PVV in het hart van de macht wordt dat moeilijk.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.