Planten kunnen best gedijen op mensenwerk. Drentse wegbermen staan vol met zilte schijnspurrie. Kalkrijke schelpenpaadjes trekken riet- en keverorchis.
Het parkje in de buurt, de berm van een snelweg of een schuttersputje op een militair oefenterrein. Allemaal plaatsen waar de mens zich met de natuur bemoeit en zo kansen schept voor soms bijzondere planten en dieren.
Neem de berm van de A28 bij de afrit Assen-Zuid. Die is in de lente compleet wit van het Deens lepelblad, een zoutminnende plant die gewoonlijk alleen langs de kust groeit. „Het lepelblad maakt gebruik van de pekel van de gladheidsbestrijding”, vertelt beleidsmedewerker Natuur Hans Dekker van de provincie Drenthe. „Heel veel plantensoorten kunnen daar niet mee omgaan en verdwijnen. Het lepelblad kan dat wel en duikt in het gat.”
De provincie publiceerde onlangs het boek ’Natuur in Drenthe’, een lijvig overzicht van de stand van zaken in de natuur. Het boek noemt ook andere planten die goed met zout overweg kunnen en ervoor zorgen dat de Drentse wegbermen ogen als kwelders: het stomp kweldergras, de zeeweegbree en de zilte schijnspurrie. Bij Witteveen, langs de weg van Emmen naar Drachten, groeide tot voor kort Engels gras, ook al een kustsoort. De planten zijn daar vanwege werk aan de weg tijdelijk verdwenen, maar zullen na een tijdje wel weer terugkeren.
In ’Natuur in Drenthe’ staan meer door mensen geschapen micromilieus. De houtsnippers die in plantsoenen en tuinen dienen om ongewenste plantengroei tegen te gaan, zijn een aantrekkelijk leefgebied voor bijzondere paddenstoelen. Op het mengsel van houtresten en vaak vruchtbare grond zijn soorten te vinden als het vrij algemene hazenpootje, de zeldzame langsteelfranjehoed en de geaderde leemhoed. Zelfs het zeer zeldzame blauwwordend kaalkopje duikt er soms op.
Langs de Drentse schelpenpaden verschijnen ook onverwachte planten. Dekker: „In het zeer kalkarme milieu van het Fochteloërveen vond ik langs schelpenpaadjes rietorchis en grote keverorchis en dat zijn planten die thuishoren in veel kalkrijker gebieden, bijvoorbeeld duinvalleien. Ze komen af op de kalk uit de schelpen.” Ook paddenstoelen vinden de weg naar de plaatselijke kalkrijkdom. Daaronder de zwarte aardster en de gewone melkbekerzwam, die als zeldzaam te boek staan. De zwartwitte bokaalkluifzwam en de violetstelige poederparasol krijgen zelfs het predicaat ’zeer zeldzaam’.
Dekker is dan ook geen voorstander van de vervanging van schelpenfietspaden door geasfalteerde routes: „Dat zou het verlies betekenen van een waardevol micromilieu. Die schelpenpaadjes zijn ook geen grote aantasting van het oorspronkelijke milieu. De invloed van de kalk, en trouwens ook van de pekel, is heel plaatselijk. In een strook van een meter langs schelpenpaden vind je alle varianten, van kalkminnende planten tot planten die net wat meer kalk nodig hebben dan wat de omgeving te bieden heeft. Verderop is er van de kalk niets meer te merken. De pekel langs de wegen spoelt snel uit naar de ondergrond en heeft alleen invloed in een heel beperkte strook langs de weg.”
Maar het ingrijpen van mensen levert niet altijd zeldzaamheden op. Dekker woont in Hoogeveen: „Daar is een jaar of dertig geleden de wijk De Weide gebouwd. Daar zijn oude loofbosjes bewaard gebleven als groenvoorziening. Die bosjes zijn nu uitlaatplekken voor honden. Je kunt ze vanwege de hondenpoep ook aparte, door mensen geschapen micromilieus noemen, maar dat is geen vooruitgang gebleken. Waar ik eerst nog bosanemonen vond, staan nu soorten die horen bij verstoring. Brandnetel, braam, muur, wilgenroosje en ruige grassen. Geen natuur waar ik hoge waarde aan toeken, integendeel.”
Op andere plekken gaat het beter. Bijzonder zijn de gebiedjes waar door menselijk toedoen leem aan de oppervlakte is gekomen. Dekker: „Kijk maar eens op de militaire oefenterreinen bij Havelte en Oudemolen. Militairen die schuttersputjes graven stuiten op het leem, dat daar dicht onder het oppervlak ligt. Het leem komt in een kring rond het putje terecht en juist daar vind je valkruid, grasklokje en wilde tijm. Ook dat zijn heel bijzondere planten.”
En dan heeft Dekker nog het voorbeeld van een ijsbaan in Zuidoost-Drenthe waar de knoflookpad, in Nederland zo ongeveer uitgestorven, nog voorkomt: „Je vindt ze daar ook in poeltjes in de buurt. Dat zijn geen watertjes die speciaal zijn aangelegd vanwege de natuurontwikkeling. Nee, het zijn gewoon drenkplaatsen die boeren vroeger gebruikten voor hun vee. Daar omheen liggen bovendien zanderige aardappelakkers, waar de knoflookpadden zich kunnen ingraven. De kamsalamander, ook een kwetsbare soort, voelt zich in die omgeving al net zo op z’n gemak.”
De poeltjes en hun omgeving krijgen nu wel aparte bescherming: „De boeren hebben ze als drenkplaats niet meer nodig. Landschapsbeheer Drenthe zorgt daarom dat de padden en de salamanders zich er thuis blijven voelen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.