Ik behoor tot een maatschappelijke elite. Ondanks mijn afkomst uit de arbeidersklasse heb ik een academische opleiding genoten, ben ik schrijver geworden, ga ik wel eens naar het theater en naar musea, ben ik bestuurslid van diverse instellingen, heb ik een eigen huis en is het gezinsinkomen ruim boven modaal met navenante belastingafdracht. Ik ben bevoorrecht. Ik heb geluk gehad. Ook hard gewerkt, trouwens.
De boosheid die een groot deel van het Nederlandse volk koestert is tegen mij gericht, hoewel ik niets heb misdaan. Het is jammer, maar ik kan wel wat hebben juist omdat ik besef dat het lot mij heeft begunstigd. Ik zou willen dat iedereen zulke hardwerkende, zorgzame ouders had als ik heb gehad. Ze boden mij alle kansen die zij voor de oorlog niet kregen. Ik zou willen dat iedereen zo goed kon leren en zijn talenten ontplooien als ik dat kon. Ik zou willen dat iedereen gezegend was met zo’n ijzeren constitutie als ik heb. Dagelijks ben ik me ervan bewust dat het ongelijk is verdeeld in de wereld en dat we met elkaar de taak hebben ervoor te zorgen dat de ongelijkheid niet ontaardt in onrecht.
Het is moeilijk je jaloezie op de bevoorrechten in te tomen, wanneer je het gevoel hebt altijd aan het kortste eind te trekken of wanneer je bang bent dat de kleine zekerheden onder je bestaan worden bedreigd. Het is dan makkelijk alles wat je niet hebt (kennis, kunst, macht en bezit) verdacht te maken. Dat helpt misschien even. Je voelt je beter dan dat elitaire zootje dat alles heeft, terwijl jij er minstens zoveel recht op hebt. Het is wel lekker ze te haten. Maar ik geloof niet dat rancune een vruchtbare emotie is. Rancune vergiftigt je leven en berooft je van perspectief en initiatief. Ik heb makkelijk praten, ik weet het.
De elite krijgt verschillende etiketten opgeplakt: ’grachtengordelkliek’, ’linkse kerk’, ’zakkenvullers’. Het is kennelijk verwerpelijk subsidie op een stoel in het theater te incasseren maar wel vanzelfsprekend mee te betalen aan de rekening voor inzet van ME en politie bij supportersrellen. Wie het heeft getroffen in het leven kan zijn eigen sokken ophouden. Wie kunst wil, moet maar voor kunst betalen. Dus ook de verpleegster die van opera houdt of de magazijnbediende die gek is op klassieke muziek. Het is niet anders, de goeden moeten onder de kwaden lijden.
Elite is een beladen begrip. In onze egalitaire maatschappij gaat het onveranderlijk gepaard met afkeuring. De elite heet gesloten, arrogant, en vijand van het volk. Vroeger was aan de top van de maatschappij een combinatie te vinden van geld-, kennis-, bestuurs- en cultuur-elite, een betrekkelijk kleine groep families die de voorrechten aan elkaar en hun kinderen doorgaven. Die elite was vrij eenvoudig te identificeren. De samenleving was een piramide. Dat is niet meer het geval. Nu zijn er verschillende elites te vinden op verschillende plaatsen in de maatschappij, sommige overlappen elkaar, andere hebben niets met elkaar te maken. In de P.C. Hooftstraat winkelt een mix van oud geld en nieuw geld, van adel tot voetbalvrouwen. Die groep heeft waarschijnlijk weinig op met moderne muziek of dans. De culturele prominenten: kunstenaars, schrijvers, musici, winkelen over het algemeen bij de Hema en wonen in bescheiden appartementjes, maar ze hebben leuk werk. De kenniselite verdient tot ver in hun carrière een niet erg ruim salaris als aio of docent aan een middelbare school. Als je de mensen optelt die tot die verschillende elites behoren, kom je toch tot een vrij omvangrijk deel van de bevolking, en geloof me: die wonen met z’n allen niet in de grachtengordel.
Dat ’de’ elite niettemin het doelwit is van boosheid heeft niets te maken met haar macht of invloed, want die is te diffuus. Maar de woede moet nu eenmaal een richting hebben. Iemand moet de schuld krijgen, iemand moet de zondebok zijn. Ik dus. Het is de emancipatie van de rancune. Lof der kortzichtigheid. Gaan we daar beleid van maken?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.