Onderzoek doen op het Jemenitische eiland Socotra is de droom van elke insectenkenner. „Je wilt eigenlijk meteen door. ’s Nachts zijn weer andere dieren actief.”
Het moet voor elke entomoloog een droom zijn: insecten zoeken op een geïsoleerde, wetenschappelijk onontgonnen plek. Voor vier insectenkenners is het werkelijkheid geworden. Deze week zijn ze voor de tweede keer vertrokken naar Socotra, een Jemenitisch eiland in de Golf van Aden, om veertien dagen achtereen en zeventien uur per dag loopkevers, libellen, vlinders, sprinkhanen en vliegen te vangen.
Het plan om naar Socotra af te reizen ontstond vorig jaar eigenlijk per toeval. Een van de vier, loopkeverkenner Ron Felix (66 en voormalig docent onderwijskunde), kreeg loopkevers uit Jemen. „En dat maakte zo nieuwsgierig dat ik er meteen heen wilde wilde. Liefst naar Socotra. Dat eiland is 30 miljoen jaar geleden al losgekomen van de rest van de wereld en heeft een uniciteit die vergelijkbaar is met die van de Galápagos-eilanden.”
Door de geïsoleerde ligging is er een groot aantal endemische planten en insecten. Mede daardoor staat het ook op de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Tot op heden is er nog relatief weinig onderzoek gedaan.
Ron: „En nog steeds is het zo dat wat wij zien en beschrijven nog door weinig anderen is gezien. Elke dag biedt kansen op een wetenschappelijke ontdekking.” Rons zoon Rob, ecoloog en sprinkhaanfanaat, was ook meteen razend enthousiast, net als zijn twee vrienden, Robert Ketelaar, ecoloog en libellen- en vliegenman, en ecoloog Jaap Bouwman (gespecialiseerd in dagvlinders en libellen).
Na de nodige perikelen met vergunningen kon het viertal maart 2009 afreizen. Hun bagage verbaasde menigeen: een absoluut minimum aan kleding, toiletspullen of ander persoonlijk gerief maar een schier onuitputtelijke verzameling netten, vangpotten, lampen, buisjes, alcohol, spelden en fotoapparatuur.
In Hadiboh, de hoofdstad, formaat dorp, richtten ze in twee kamers met een gat als wc en een pijpje als douche een simpel basiskamp in van waaruit meerdaagse expedities werden ondernomen. „In Nederland hadden we een grof plan gemaakt. ’s Morgens om vijf uur vroegen we onze chauffeur en kok, om een bepaalde richting uit te rijden op zoek naar interessante locaties. Hij sprak geen woord Engels, maar ’stop’ was genoeg”, vertelt Robert Ketelaar.
Stop was voor de vier het sein om – zoals de reizigers het uitdrukken- ’los te gaan.’ Kruipend, speurend en sluipend werden zo veel mogelijk dieren op naam gebracht en indien nodig meegenomen. En als dan tegen zes uur de schemer intrad, was het tijd voor een kop mierzoete thee, rijst met vis en een half uurtje rust. Robert: „Maar je wilt eigenlijk meteen door. ’s Nachts zijn weer andere dieren actief.”
En dus werd de pauze steeds korter en liep het viertal ook ’s avonds vele uren met lampen, vanglakens en andere apparatuur. Van de tienduizenden insecten die ze zo hebben waargenomen, eindigden er enkele honderden aan een speld.
„Dat is een nadeel van insectenstudie”, erkent Ketelaar. „Maar het moet. Insecten zijn veelal aan minieme kenmerken te onderscheiden. En zie maar eens de geslachtsorganen van een twee millimeter grote kever in het veld te bestuderen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.