*

 

Met lokaal voedsel telen ben je er niet

Kees de Vré − 08/10/10, 00:00

Lokaal geteeld voedsel is vriendelijker voor het milieu. Maar echte winst is er pas als ook het distributiesysteem zo wordt aangepast dat we niet meer allemaal met de auto naar de supermarkt hoeven te rijden om eten in te slaan.

  • Voedsel verbouwen dicht bij de stad is goed voor de sociale verhoudingen. Mensen weten waar hun eten vandaan komt en gaan met de voedselproducenten en elkaar in discussie. (ARTIST IMPRESSION)

De uitkomst heeft hem niet echt verrast. Toch had programmaleider Alex van Oost van DuurzaamheidsLab Almere wel een veel grotere milieuwinst verwacht van lokaal geteeld voedsel. Het hoeft ten slotte niet meer van heinde en verre te komen, zoals nu dikwijls het geval is, en dat scheelt een fors aantal voedselkilometers. De grootste winst blijkt echter te worden geboekt met zaken die los staan van de vraag waar je je voedsel vandaan haalt.

Dat blijkt uit een onderzoek van de Wageningen Universiteit dat binnenkort wordt gepubliceerd. In het onderzoek, gedaan in opdracht van het DuurzaamheidsLab, wordt bekeken in hoeverre de wens van Almere om het voedsel voor zijn inwoners zoveel mogelijk lokaal te telen werkelijk haalbaar is. Voor het eerst ter wereld is grondig onderzocht wat de effecten zijn op het milieu als een grote stad zijn eten voor een deel om de hoek produceert.

„Het heeft me niet verrast, omdat menselijk gedrag een prominente rol speelt als het gaat om duurzaamheid in het algemeen en voedsel in het bijzonder. Je kunt de voedselproductie vernieuwen, maar daar hoort een culturele verandering bij. Die is uiterst complex. Als we met lokaal geteeld voedsel een forse stap willen zetten, dan blijkt de winst toch vooral te zitten in ander consumentengedrag. We moeten anders gaan eten – vooral minder vlees – en er moet een beter distributiesysteem komen zodat de consument lopend of met de fiets zijn levensmiddelen gaat halen. Verreweg de meeste transportkilometers in de voedselketen worden gemaakt door de consument die zijn dagelijkse boodschappen veelal met de auto doet.”

Het onderzoek gaat uit van het huidige menu van de gemiddelde Nederlander.

„Daar doet het RIVM regelmatig onderzoek naar en aan die cijfers kun je je spiegelen. De Almeerder blijft dus ook tropische en niet-seizoensgebonden producten gebruiken. Op grond van het beschikbare areaal aan grond en klimaatgebonden teeltmethoden kwamen we uit op een vervanging van zo’n twintig procent van het bestaande voedselpakket. Dan moet je vooral denken aan verse plantaardige producten als aardappelen, een aantal groenten, wat fruit en enkele dierlijke producten als vlees en melk. Verder een paar lichtbewerkte producten als brood en bier waarvan de productie lokaal ook mogelijk is.”

De Wageningse onderzoek hanteert twee scenario’s: één met twintig procent vervanging met gangbare, maar chemiearme teelt in de buurt, en één met biologische teelt.

In het eerste scenario wordt uitgegaan van een minimale inzet van chemische hulpmiddelen en twintig procent vervanging van fossiele brandstoffen door duurzame tegenhangers.

In het biologisch scenario is uiteraard geen sprake van chemische hulpmiddelen en worden bovendien alle fossiele brandstoffen vervangen door hernieuwbare bronnen. Fossiel energieverbruik, broeikasgasuitstoot en voedselkilometers van de boer tot en met de consument in allerlei ketens zijn meegenomen.

„Wat onmiddellijk opvalt”, zegt Van Oost, „is het grote beslag op de ruimte door vleesproductie. In deze studie is ruim de helft van de beschikbare ruimte rond Almere nodig voor die paar dierlijke producten die in de studie zijn opgenomen. Het scheelt een slok op een borrel als je minder vlees eet.”

„Verder blijkt dat die twintig procent vervangbare producten al voor het grootste deel uit Nederland kwamen. Uitwijken naar minder exotische en meer seizoensgebonden producten levert eveneens veel winst op. Bij een ander voedselmandje kan er dus veel meer lokaal geteeld worden en zijn de klimaateffecten navenant positiever.”

Dat scheelt meer en meer voedselkilometers. In de huidige verhoudingen worden 18,1 miljoen kilometers afgelegd om de Almeerders van voedsel te voorzien. In de scenario’s die de studie heeft onderzocht, neemt het aantal voedselkilometers door lokale teelt aanzienlijk af naar 2,1 miljoen kilometer.

Daarbij is wel uitgegaan van een nieuw, fijnmazig distributiesysteem dat de consument niet dwingt – noch met gratis parkeerplaatsen aanmoedigt – om zijn levensmiddelen met de auto op te halen. Is zo’n systeem er niet dan blijft de winst klein. Immers, het grootste deel van de voedselkilometers, ruim 15 miljoen, komt voor rekening van de consument, zo stelt de studie.

Van Oost: „Gemeenten moeten daarom, met marktpartijen, inzetten op een andere distributie, want ik zie niet zo snel een verandering als die van de huidige supermarkten moet komen. Denk aan webwinkels in combinatie met plaatselijke en regionale boeren, andere bestel- en bezorgsystemen, meer boerenmarkten, veel meer distributiepunten in de wijk.”

Het huidige fossiele energieverbruik in voedselketens zit hem vooral – 70 procent – in de primaire productie. Dat is met name toe te schrijven aan de glastuinbouw. De besparingen hier komen van de vervanging van fossiele brandstoffen door hernieuwbare energiebronnen.

Verrassend genoeg blijkt dat een andere teeltmethode – biologisch in plaats van gangbaar – niet veel extra winst oplevert.

Van Oost: „Ja, dat is echt opvallend, want dat had ik wel ingecalculeerd. Er wordt wel behoorlijk winst geboekt doordat er voor 100 procent duurzame energie wordt gebruikt, maar daar staat tegenover dat er 30 procent meer land nodig is. Biologische productie heeft nou eenmaal een lagere opbrengst. Anderzijds heeft biologische landbouw wel een grote plus omdat het door zijn diervriendelijke productie en het achterwege laten van kunstmest en pesticiden goed past in een stedelijke omgeving.”

Al met al blijven de milieuopbrengsten van lokale landbouw bescheiden.

Grote winst boeken kan ook bij de huidige gang van zaken, waarbij voedsel van over de hele wereld komt, al gerealiseerd worden. Toch gaat Almere door op de ingeslagen weg. Van Oost: „Ik geef toe dat ik bij een grote directe milieuwinst een makkelijker verhaal heb naar het college van b. en w., maar Almere gaat door. De stad wil voorloper zijn op het gebied van duurzaamheid en heeft daarvoor principes geformuleerd. Daar past lokale landbouw zonder twijfel in. Het DuurzaamheidsLab is op grond van die principes opgericht. Het is een interne innovatiemotor die dwars door het ambtelijk apparaat heen gaat. In dit geval is de milieuwinst weliswaar bescheiden, maar dat geldt alleen met een gelijkblijvend menu en een zelfde manier van distribueren. Met een ander menu en een betere distributie kunnen we al een veel grotere stap zetten. De opbrengst van deze studie is dat ik nu harde cijfers voorhanden heb. Ik weet nu waarop te sturen.”

Van Oost stelt voor om groen ondernemerschap stevig te stimuleren. „Financiële prikkels bij grondverkoop, ruimte scheppen in de regelgeving, allerlei vormen van stadslandbouw moeten mogelijk worden. Het gaat me vooral om betrokkenheid en verbondenheid. Daarom wil ik toe naar een overkoepelende voedselstrategie, want stadslandbouw is meer dan alleen eten.”

„Nieuwe vormen van landbouw ontdekken en toepassen is goed voor het imago van Almere. De stad moet een praktijkproeftuin worden die innovaties oplevert en economisch kansen biedt. Dat is ook goed voor de sociale verhoudingen in de stad. Mensen weten weer waar hun eten vandaan komt, weten wie hun voedsel produceert, kunnen met de producenten en met elkaar in discussie over voedsel. Zoiets verbindt, want we hebben er allemaal dagelijks mee te maken. Het sluit aan bij de groeiende inspanning van burgers om zelf hun voedsel te verbouwen.”

„Allemaal redenen om als duurzame stad tegenwicht te bieden aan de monopolistische, grootschalige en daardoor nogal anonieme manier van voedsel produceren zoals we die nu kennen. Innovatieve, kleinschalige landbouw dicht in de buurt moet een deel van de identiteit van Almere worden.”

mailIcon print |