*

 

Philip Roth: Maniak van het waarom

Sofie Messeman − 23/10/10, 00:00

Na een reeks ouderdomsnovellen is Philip Roth terug met een sterke roman, die zich afspeelt tijdens een polio-epidemie. De held voelt zich machteloos, en wijt uiteindelijk alles aan zichzelf.

  • Amerikaanse schoffies in de jaren veertig. De verteller in 'Nemesis' is speelplaatsleider en moet toezien hoe 'zijn' kinderen een voor een ziek worden. (JOHN VACHON)

De Amerikaans-Joodse schrijver Philip Roth heeft de afgelopen jaren in sneltreinvaart een hele reeks romans gepubliceerd over de ellende van de oude dag: ’Alleman’, ’Exit geest’, ’De vernedering’. Dit zelfplagiaat nam op den duur zulke proporties aan dat het haast zielig werd. Het is dan ook een verademing dat hij in ’Nemesis’ een nog maar 23-jarige speelplaatsleider aan het woord laat: Bucky Cantor.

Het is 1944. Terwijl elders de Tweede Wereldoorlog woedt, duikt in Newark, New Jersey een geval van polio op. Op zichzelf niets bijzonders, elke zomer vallen wel een paar kinderen aan de ziekte ten prooi. Maar terwijl Bucky Cantor ’zijn’ kinderen een fantastische zomer bezorgt, begint het aantal poliogevallen angstwekkend te stijgen. Meesterlijk toont Roth hoe de paniek zich langzaam een weg door de gemeenschap vreet, met als hoogtepunt de scène waarin een vrouw klaagt dat er geen quarantaineplakkaten worden opgehangen. „En toen slaakte ze een angstschreeuw. Mijnheer Cantor had nog nooit zo’n schreeuw gehoord. Het was een snerpend, langgerekt geluid dat op geen enkele hem bekende klank leek, en het joeg hem zo de stuipen op het lijf dat hij kippevel kreeg.”

Bucky Cantor zelf is een weeskind. Onder de hoede van zijn strenge grootvader, een Joodse kruidenier, heeft hij een ontzaglijk verantwoordelijkheidsbesef ontwikkeld. Toch staat hij machteloos tegenover de epidemie. Naarmate de ziekte feller om zich heen grijpt, laat zijn vastberadenheid Bucky in de steek. Hij vlucht naar het zomerkamp waar zijn verloofde Marcia verblijft. Maar hoe zonovergoten het daar ook is, Cantor wordt achtervolgd door het gevoel zichzelf te hebben verraden. Na een paar dagen is de kampidylle trouwens voorbij, want ook daar duikt een geval van polio op.

Een van de grote verschillen tussen ’Nemesis’ en Roths recente ouderdomsboeken is de omvang. ’Nemesis’ is geen lang uitgevallen novelle, maar een echte roman, met een ingenieuze plot, een goed uitgewerkt personage, en een raak tijdsbeeld, dat van de angstige jaren veertig. „Er werd ons op het hart gedrukt geen gebruik te maken van openbare toiletten of drinkfonteintjes, geen slok van andermans flesje prik te nemen, geen kou te vatten, niet met vreemde kinderen te spelen, geen boeken uit de openbare bibliotheek te lenen, geen etenswaar van straatventers te kopen, niet op te bellen in een telefooncel en pas te eten als we onze handen grondig hadden afgeboend met water en zeep.”

’Nemesis’ is ook een typische if-history, want de ziekte heeft in Newark nooit epidemische vormen aangenomen. Daarin doet het boek denken aan Roths roman ’Het complot tegen Amerika’, die ook in de jaren veertig speelt, en de vraag opwerpt wat er gebeurd zou zijn als de antisemitische Charles Lindbergh in 1940 in de VS aan de macht was gekomen. In ’Nemesis’ legt Roth de nadruk op het patriottistisch ideaal van die jaren. Zo kan Bucky Cantor het moeilijk verkroppen dat hij als slechtziende niet naar het front mag, een plaats die hij overigens erg idealiseert. Zijn onvermogen om mee te vechten komt zijn zelfvertrouwen niet ten goede, zeker niet als hij in ’zijn eigen oorlog’ – lees: de polio-epidemie in Newark – vaandelvlucht pleegt door naar het zomerkamp te vluchten.

Een van de vragen die ’Nemesis’ oproept, is hoe God, als hij goed is, zoveel lijden op de wereld kan toelaten. Dat wil zeggen: Bucky wordt door de vraag gekweld, en wel op zo’n monomane manier, dat het op den duur gaat tegenstaan. Toch past Bucky’s mantra wel bij het nogal simplistische personage dat hij nu eenmaal is, in wiens filosofische theorieën Roth zich wonderlijk goed weet in te leven. Al neemt hij soms wraak op zijn personage: „Hij was al met al een humorloze figuur, redelijk welbespraakt, maar vrijwel gespeend van esprit, die zich nog nooit van zijn leven spottend of ironisch had uitgelaten, die zelden een mop vertelde of een grapje maakte – iemand daarentegen die door een overprikkeld plichtsbesef gekweld werd maar met weinig denkkracht begiftigd was (...).”

Het is een citaat uit het laatste deel, waarin de jonge, milde, sterke figuur van Bucky Cantor helemaal op zijn kop wordt gezet. Hij is een oude man geworden, kreupel van de polio en vol zelfverwijt: hij stelt zich persoonlijk verantwoordelijk voor de uitbraak van de epidemie. Fijntjes roept Roth daarmee de vraag op of je je wel schuldig moet voelen over iets dat je totaal overstijgt. Over types als Cantor sneert hij: „Dat het zinloos, toevallig, ongerijmd en tragisch is, daar neemt hij geen genoegen mee. Nee, hij zoekt vertwijfeld naar een diepere oorzaak, deze maniak van het waarom ().” Op dat moment valt het woord ’hybris’, wat misschien de titel verklaart, want Nemesis is de godin die hybris bestraft. Tegelijk zou je in Cantor ook een alter ego van Roth zelf kunnen zien, die hier zijn eigen verzet tegen het lot bespot.

Vaststaat dat we in deel drie mijlenver verwijderd zijn van de stevige hoofdpersoon uit de eerste delen. Net als in de ouderdomsboeken eindigt ’Nemesis’ met een oude dag die bol staat van aftakeling en spijt. Zelfs het ’slijtagebestendige, opvallend stoutmoedig gezicht’ van de jonge Bucky, heet aan het einde ’begraven in een ander, vleziger gezicht’. Daarmee is Roth terug bij zijn bekende obsessie, al blijft ’Nemesis’ heel wat overtuigender dan zijn oudemannenboeken van de afgelopen tijd.

mailIcon print |