De Keniaanse Joan Karanja promoot eerlijke handel in Afrika. Ze kijkt niet alleen kritisch naar het rijke Westen, ook op haar eigen continent valt nog veel te verbeteren, vindt ze. ’Waarom importeren wij koffie uit Europa?’
Natuurlijk, de handelsbarrières tussen rijke westerse landen en ontwikkelingslanden zijn een groot probleem. Maar Joan Karanja (31) ziet ook dat binnen haar eigen continent, Afrika, een hoop te verbeteren valt als het gaat om eerlijke, vrije handel. „Ik ken een fairtradekoffiebrander in Senegal die zijn bonen bij een handelaar in Duitsland koopt. Dat is gemakkelijker en goedkoper voor hem dan ze direct uit Kenia te halen. Dat is toch idioot?”
Karanja is directeur van Cofta, de Cooperation for fair trade in Africa. Azië en Latijns-Amerika hebben ook zo’n organsiatie, die eerlijke handel probeert te bevorderen en producenten ondersteunt en adviseert. De drie vallen weer onder de World fair trade organisation.
Cofta is verantwoordelijk voor heel Afrika. Een grote klus op een enorm continent, maar op het hoofdkantoor in Nairobi werken slechts vijf mensen – en dan telt Karanja zichzelf mee. Toch komt ze energiek en opgewekt het beursgebouw van Eindhoven binnenlopen, waar op de Etfam fairtradeproducenten uit de hele wereld zich presenteren. Binnenkort reist ze naar Madrid, om ook daar de producten van Cofta-leden te promoten.
„Onze organisatie heeft minder mogelijkheden dan we graag zouden willen”, geeft ze toe. „Onderzoek en studie, daar komen we nauwelijks aan toe. Maar voor die zaak met die Senegalese koffieboer maken ze een uitzondering. „We hebben hem gekoppeld aan een koffieproducent in Kenia. Vervolgens gaan we in kaart brengen welke problemen ze allemaal tegenkomen om met elkaar handel te drijven; al het papierwerk, gedoe met douane, noem maar op. Die zaak presenteren we dan aan de Organisatie voor Afrikaanse eenheid.” En om het meteen maar goed te doen, bewandelen ze ook de route van oost naar west. „Een textielproducent in Tanzania koopt nu verantwoorde katoen in China en India. Terwijl dat ook verbouwd wordt in Senegal. Maar weer hetzelfde probleem – de handel in Afrika wordt belemmerd door allerlei regels en tariefmuren en een slechte infrastructuur. Ook dit voorbeeld gaan we onderzoeken.”
Karanja vindt het belangrijk dat de handel op het Afrikaanse continent van de grond komt. „In Noord- en West-Afrika wordt ontzettend veel koffie gedronken. Waarom importeren ze dat uit Europa?” Ze zou graag zien dat de producenten die ze ondersteunt minder afhankelijk worden van de Westerse consument. „Je ziet het nu met de kredietcrisis. Daar hebben wij last van, want de export loopt terug. Terwijl mensen in Kenia geen idee hebben waar het over gaat. Hypotheken? Die hebben we niet. In Kenia heeft nog geen veertig procent van de mensen een bankrekening, laat staan dat ze ooit een lening zullen krijgen.”
Toch blijft het Westen een heel belangrijke afzetmarkt voor fairtradeproducten en Cofta helpt mensen toegang te krijgen tot die markt. De organisatie bestaat pas zes jaar. Toen begon Karanja in een container in Nairobi, met een bureau en een laptop. Haar kennis deed ze op bij een Amerikaanse hulporganisatie. Nu heeft Cofta afdelingen in Oeganda, Tanzania, Rwanda, Zuid-Afrika en Senegal, zijn er honderd coöperaties in 24 landen lid van de organisatie, waardoor zo’n 250.000 producenten en hun families profiteren van de ondersteuning van Cofta.
Die ondersteuning bestaat in de eerste plaats uit scholing. „Toen we begonnen, wisten westerse consumenten al heel goed wat fair trade is, maar de producenten hier eigenlijk niet. Dat was natuurlijk de omgekeerde wereld.” Het gaat ook vaak om mensen zonder enige opleiding, met heel beperkte mogelijkheden, zegt Karanja. „Ze maken dingen van heel goedkope materialen, soms zelfs van afval. Handwerk is de handelswaar van de armen, voor voedingsmiddelen heb je land nodig en dat hebben ze niet.”
Cofta wil ervoor zorgen dat die handelswaar meer aansluit op de vraag van consumenten. Daartoe worden ter plekke trainers opgeleid, die hun kennis weer kunnen doorgeven aan anderen. „Zodat de kennis niet verdwijnt als wij weer weggaan.”
Als voorbeeld noemt ze Rwanda, het land waar Cofta het meest recent een afdeling opzette.
„We trainen daar coöperaties die kunnen bestaan uit 9 tot 45 leden. Die vertegenwoordigen ieder weer een aantal producenten. We begeleiden de trainers drie jaar. Ze leren over juridische zaken, arbeidsomstandigheden, financiën en natuurlijk het verfijnen van de producten. Zij gaan terug naar hun woonplaats om die kennis weer door te geven in workshops. Uiteindelijk moeten ze gezamenlijk een productlijn opzetten die aangeboden kan worden op de wereldmarkt.” We werken met heel verschillende mensen. Sommigen exporteren hun goederen al naar het buitenland, anderen zijn in hun land actief, maar er zitten er ook bij die alleen nog maar op lokaal niveau handel drijven. We willen dat ze onderling ook kennis uitwisselen, dat ze van elkaar leren en samenwerken.”
Sommige producenten hoeven niet meer zoveel te leren, maar hebben weer andere hulp nodig; een computer, of een internetverbinding. Ook daarin bemiddelt Karanja. „Met simpele middelen vergroot je hun kansen op de wereldmarkt enorm.”
Op een fairtradeproduct hoort uiteindelijk een keurmerk te zitten. Maar dat is bepaald niet eenvoudig, zegt Karanja. „Voor kleine producenten is het een heel ingewikkeld proces. Iemand die niet kan lezen en schrijven, kan geen aanvraag of een zelfbeoordelingsformulier invullen.” Wat niet wil zeggen dat het product niet deugt, vindt Karanja. „Er is juist heel veel fair trade in Afrika, alleen noemen we dat niet zo. En het is al helemaal niet gecertificeerd. Als ik op de markt groente koop van een boerin, dan weet ik dat ik aan eerlijke handel doe, want ik betaal haar een eerlijke prijs. En ik weet ook dat ik onbespoten voedsel eet, want ze heeft niet eens geld voor landbouwgif.”
Grote fabrieken en plantages kunnen hun producten wel certificeren. Het gevaar bestaat dan, dat zij kleine producenten uit de markt drukken, omdat ze niet zo’n label hebben. „Een keurmerk is niet het antwoord op alles”, stelt Karanja. „Fair trade kent zulke grote niveauverschillen. Op grote plantages gaat het om werkomstandigheden voor de arbeiders. De zorg voor het milieu. Ondersteuning van de lokale gemeenschappen. Op kleine schaal gaat het om toegang tot de markt, om kwaliteitsverbetering. Het zijn bijna twee verschillende werelden. We moeten flexibel omgaan met die niveauverschillen, niet aan iedereen even hoge eisen stellen.”
Cofta heeft wel heel eenvoudige manieren ontwikkeld om te controleren hoe het gesteld is met de arbeidsomstandigheden bij kleine producenten. „We hebben pictogrammen gemaakt, waarop we bepaalde milieu-eisen in beeld brengen. Zo leren producenten dat ze een watertank moeten afsluiten, zodat muskieten er geen eitjes in kunnen leggen. Arbeiders in werkplaatsen krijgen controleformulieren met tekeningen van blije en verdrietige gezichten. Krijg je genoeg betaald? Word je goed behandeld?”
Uiteindelijk streven grote en kleine fairtradeproducenten hetzelfde doel na, stelt ze. „Verbetering van de leefomstandigheden door werk en handel. Het gaat om het neerhalen van handelsbarrières. Ons ultieme doel is een volledige verandering van de manier waarop we handel drijven, ook op ons eigen continent. Aan onze politieke leiders laten zien dat er nog veel mis is.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.