Eneco wil zich ontwikkelen tot het duurzaamste energiebedrijf van noordwestelijk Europa. Toch bouwt het op de Maasvlakte een gloednieuwe gasgestookte energiecentrale.
Op de ijzige Maasvlakte openbaart zich te midden van Duits sprekende werklui toch nog een zuidelijk, zonnig tintje. Een groepje kleumende, maar overduidelijk mediterrane mannen slentert naar het ketelhuis. Het blijken Portugese lassers – ’de beste die er zijn’. Ze zijn met zo’n 200 man ingevlogen om de laatste hand te leggen aan de nieuwe gasgestookte centrale van energiebedrijf Eneco. Komend voorjaar wordt de enorme installatie getest en eind van 2011 moet de eerste elektriciteit aan het openbare net geleverd worden.
Enecogen is de eerste centrale die het bedrijf – voor de helft – in bezit heeft. Tot nu toe moest Eneco het doen met ingekochte energie voor zijn zakelijke en particuliere klanten. „Dat is zeker geen nadeel geweest”, licht Kees-Jan Rameau, lid van de raad van bestuur van Eneco, toe op het bouwterrein. „Wij hebben nu, zonder de last van grote centrales, goed kunnen nadenken hoe we onze plannen met duurzaamheid gaan vormgeven.”
Eneco, zegt Rameau, wil het duurzaamste energiebedrijf van noordwestelijk Europa worden. Hij ziet de vervuilende, grootschalige in centrales opgewekte energie steeds meer vervangen worden door duurzame, kleinschalige decentrale methoden. In buurten, in wijken, in straten zullen consumenten en bedrijven via windmolens in de buurt, zonnecellen op het dak, warmte-krachtkoppeling of aardwarmte voor hun eigen energie gaan zorgen. Eneco wordt dan niet meer de leverancier, maar de instantie die, samen met de klant, kleinschalige oplossingen bedenkt, het benodigde materiaal aanlevert, dat installeert en onderhoudt. „Dat gaat best goed”, zegt Rameau, „We hebben nu al 800 mensen hiervoor rondlopen die samen zo’n 100 miljoen omzet draaien. Daarnaast hebben we een adviespoot voor duurzame energieopwekking, Ecofys, die ook al tientallen miljoenen omzet.”
Waarom dan toch zo’n grote centrale gebouwd? Rameau: „Omdat we nu in een overgangsfase zitten. Het duurt nog decennia voordat Nederland een volledig duurzame energievoorziening heeft. Tot die tijd blijft fossiele brandstof nodig. Wij gebruiken gas omdat dat van de fossiele brandstoffen verreweg de schoonste is.” Divisie-directeur Piet Frints vult aan: „Enecogen maakt gebruik van de nieuwste techniek. Daarbij wordt de door het gas opgewekte stoom tweemaal door het proces geleid. De efficiëntie is daarmee zo’n 60 procent, tegen 35 procent voor oudere modellen. Dat geeft ook minder uitstoot van CO2. Bovendien zit er een denox-installatie op de centrale waarmee we de uitstoot van stikstofoxide met 80 procent omlaag brengen. Daarmee is het de schoonste gasgestookte centrale van Europa.”
De bouw van de centrale vordert gestaag. Het grootste probleem bleek niet eens van technische aard. „Dat is de grote zeemeeuwenkolonie hier op de grens van Europoort en de Maasvlakte. Er zijn zo’n 25.000 zeemeeuwen en die zijn in het broedseizoen nogal agressief. Een aanvallende meeuw kan met zijn scherpe snavel een behoorlijk gat in een veiligheidshelm maken. Dat hebben we opgelost door bijvoorbeeld bij parkeerplaatsen netten te spannen en geluidsinstallaties neer te zetten die een meeuw in nood laten horen. Dat blijkt effectief.”
In de tussentijd gaat Eneco door met het verduurzamen van de energievoorziening. Rameau: „Wij willen dat vooral doen met windmolens op zee. Dat is in onze contreien het meest kansrijk. Wind waait echter niet altijd zodat je bij gebrek aan wind, en dus energie, een back-up moet hebben. Dat is deze gascentrale. Dit is een flexibele gascentrale die je naar believen aan en uit kunt zetten. Dat kan met kolen- of kerncentrales niet.” Eneco wil eind 2012 70 procent van zijn energie zelf opwekken. Daarvan is dan 20 procent duurzaam – nu nog ruim 10 – en 50 procent komt van de gascentrale.
Om die centrale te laten draaien moet Eneco gas inkopen. „Nederland is zelf een gasland. Daarnaast is de gasmarkt nu rustig, want er is een overaanbod, maar dat blijft niet zo. Ik denk dat tot 2030 de situatie een paar maal drastisch zal veranderen”, zegt Rameau. „Tegen 2025 is Nederland netto-importeur van gas en de vraag op de wereldmarkt zal sterk toenemen. Om zeker te zijn van levering sluiten we daarom langlopende contracten – van 15 tot 20 jaar – met verschillende leveranciers.” Op de bouwplaats vertelt Rameau dat zijn concern overeenkomsten heeft getekend met het Duits/Russische bedrijf Wingas voor de levering van jaarlijks een miljard kubieke meter gas en met de Gate-terminal – ook op de Maasvlakte – voor de levering van vloeibaar aardgas (LNG). Dit gaat ook om een miljard kuub per jaar. Verder loopt er nog een contract met de Noorse leverancier Statoil, die goed is voor jaarlijks een half miljard kuub gas.
Deze langlopende contracten staan de gestage overgang naar een duurzame energievoorziening niet in de weg, verzekert Rameau. „We kunnen de gascentrale uitzetten. En omdat we altijd zonder eigen centrale hebben gewerkt, hebben we erg goed leren inschatten hoeveel brandstof we op elk moment nodig hebben. Dat gaat ver. We kunnen tot op het kwartier bepalen wat nodig is. Als er in de Kuip een avondwedstrijd wordt gespeeld, staat dat op onze planning.”
Toch is Eneco bezig nog een zekerheid in te bouwen: gasopslag. Frints: „We hebben in een Duitse zoutmijn, in Epe net over de grens bij Enschede, twee cavernes gekocht. Die cavernes ontstaan diep onder de grond als het zout via een smal boorgat met water onder hoge druk naar boven wordt geperst. Onderin dat gat slijt het water een ruimte uit die almaar groter wordt. Die cavernes hebben op een gegeven moment een inhoud van honderdduizenden kubieke meters. Onze cavernes tellen respectievelijk 320.000 en 450.000 m3. In die 770.000 kuub kunnen we onder hoge druk – 200 atmosfeer – in 15 jaar 120 miljoen m3 gas opslaan. Dan kunnen we gas kopen, ook als we het niet direct nodig hebben maar wel relatief goedkoop is. In theorie kan de centrale die we hier bij Rotterdam bouwen op die voorraad draaien.”
Omdat de opslag bij Epe plaatsvindt in een natuurgebied is die aan strenge regels gebonden, vertelt Frints. „Er is weinig protest van omwonenden. Die zoutwinning is al 25 jaar aan de gang. Wat wij erbij bouwen, is een klein fabriekje en wat pijpleidingen. Die moeten we weer afdekken en het gebied achterlaten zoals we het hebben aangetroffen. Maar goed, er is schade aan de natuur. Als compensatie daarvoor hebben we een door de Duitse autoriteiten aangewezen stuk grond in de buurt van 15 hectare moeten aankopen die als natuur is geoormerkt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.