Woestijnen en andere droge gebieden sturen veel meer stof de lucht in dan tot nu toe aangenomen. Dat blijkt uit onderzoek van de Nederlandse natuurkundige Jasper Kok van het Amerikaanse National Center for Atmospheric Research.
Stof uit woestijnen en andere bronnen is voortdurend in de atmosfeer aanwezig. Vooral fijnstof kan duizenden kilometers van de bron reizen. Onderweg heeft het invloed op weer en klimaat. Op de plek waar het neerkomt, kan het effect hebben op planten of zeeleven.
Fijnstof is gemakkelijk te meten met satellieten, maar over de hoeveelheid die uit woestijnen de lucht in waait, was veel onzekerheid. In een publicatie in het vakblad PNAS deze week presenteert Kok een natuurkundig model voor de productie van stof, waarbij zowel grote als kleine stofkorrels een rol spelen.
Hij vergelijkt stofkorrels met stukken glas. Zoals glas niet zomaar breekt, maar versplintert als het hard genoeg valt, zo worden ook grote stofkorrels regelmatig in veel kleinere korrels opgesplitst als ze door de wind worden opgetild en weer neervallen.
Het model van Kok blijkt goed te kloppen met de weinige metingen die er op dit gebied zijn gedaan. En het leidt tot de conclusie dat de woestijnen voor elke kilo fijnstof twee tot acht keer zoveel grover stof de lucht in moeten sturen dan tot nu toe werd gedacht. Dat stof kan regionaal effecten hebben die er tot nu toe niet mee in verband gebracht zijn.
Stof is in de aardwetenschappen een onderwerp dat steeds meer aandacht krijgt, onder meer omdat fijnstof een afkoelende werking heeft op het klimaat. De Amerikaanse Natalie Mahowald van de Cornell Universiteit concludeerde onlangs dat de hoeveelheid stof in de atmosfeer de afgelopen eeuw sterk varieerde en en nu dubbel zo hoog is als in 1905.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.