Het kabinet is ervoor: meer toetsen op de basisschool. Maar deze standaardtesten geven volgens deskundigen geen objectief beeld, zeker niet van jonge kinderen. En bovendien, zo klinkt het bij tegenstanders, het onderwijs verbetert er niet door. „Toetsen dreigt te veel hoofdzaak te worden.”
’M-ee-t, meet. Z-i-t, zeet. Nee, ik bedoel zit!” Jordy (6) buigt zich op de gang van openbare basisschool De Klinker in Oud-Beijerland over een tafeltje. Naast hem zit Lisanne Bijlsma, juf van groep 3. Bijlsma heeft een stopwatch in de hand; Jordy maakt een leestoets, de ’herfstsignalering’. „Nu gaan we een verhaaltje lezen”, zegt ze. „Daar ben ik niet zo goed in”, aarzelt Jordy.
De stopwatch is bedoeld om de snelheid waarmee Jordy leest te meten. Daarnaast kijkt Bijlsma waar de leerling nog moeite mee heeft bij het lezen. „De b en de d vind ik nog moeilijk”, stelt Jordy zelf al vast.
De herfstsignalering is niet de enige toets die groep 3 dit jaar heeft gemaakt of zal maken – bij lange na niet, blijkt uit een blik op de toetskalender. De leesmethode van de school kent zestien toetsen. De rekenmethode zes. En dan zijn er acht toetsen van het Cito, vier in januari en vier in juni. Daarmee komt Jordy dit schooljaar op een totaal van dertig toetsen.
Nu hoeft De Klinker in principe niet zoveel te toetsen. De Inspectie van het onderwijs verplicht basisscholen alleen de prestaties van de leerlingen in de gaten te houden zolang ze op school zitten. Scholen zijn vrij in hun keuze van toetssystemen. Maar in de praktijk geldt: praat je over toetsen, dan heb je het over Cito. 95 procent van de basisscholen gebruikt toetsen van het Cito. Hoeveel scholen er daarnaast nog zogenoemde ’methodegebonden’ toetsen doen, zoals de leestest die Jordy maakte, is niet bekend.
Het nieuwe kabinet is voorstander van het toetsen. Minister Van Bijsterveldt (onderwijs) wil nieuwe, landelijke toetsen verplichten in groep 3, groep 8 en de onderbouw van de middelbare school, die voor iedereen hetzelfde zijn. Nu is er al wel de Citotoets, maar die is niet verplicht – 85 procent van de scholen neemt de Citotoets aan het eind van groep 8 af.
Het streven om prestaties van kinderen duidelijk te kunnen meten is niet nieuw. Het vorige kabinet voerde dit schooljaar al zogeheten referentieniveaus voor het basisonderwijs in: landelijke standaarden waaraan iedereen zou moeten voldoen. De lat moet omhoog, was de boodschap van Van Bijsterveldt. Een ander voordeel: aan de hand van die standaarden is het gemakkelijker scholen af te rekenen op prestaties.
Toch moet je erg oppassen met dergelijke standaardtoetsen, zegt hoogleraar ontwikkelingspsychologie Paul van Geert, verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Je kunt ze wel gebruiken voor algemene uitspraken over een groep leerlingen: bijvoorbeeld dat kinderen in Friesland het gemiddeld beter doen. Maar een toets geeft geen betrouwbare resultaten voor individuele kinderen. Hoogstens een ruwe schatting.”
Dat komt, zegt Van Geert, omdat kinderen zulke toetsen soms heel goed, soms heel slecht maken. Vooral jonge kinderen scoren variabel. Het beeld bestaat dat de toetsen objectief en betrouwbaar zijn en dat de observaties van een leraar ’maar’ subjectief zijn, licht Van Geert toe. „Terwijl het eigenlijk andersom is. Het gevaar is een steeds groter verschil tussen de ’objectieve’ toetsen en wat de leerkracht ziet in een kind. Het is nu al zo moeilijk om leraren ervan te overtuigen dat wat zij zien best klopt. Ik ben bang dat we gaan zeggen: dit kind heeft op basis van deze toets dit en dit nodig.”
Juf Bijlsma van De Klinker herkent de waarschuwing van Van Geert wel. Voordat ze groep 3 onder haar hoede had, was ze kleuterjuf. Bijlsma zag hoe een leerling na een nacht slecht slapen de Cito-kleutertoets wel erg slecht maakte. „Dan dacht je: hè, scoort dat kind zo slecht? Als ik dacht dat de uitslag van de toets nergens op sloeg, dan liet ik ze deze nog een keer maken.”
Vanaf groep 3 gaan de resultaten van de toetsen de computer in. Die zet het aantal fouten dat Jordy maakt af tegen de snelheid waarmee hij leest; op basis daarvan kan Bijlsma zien of haar leerling op streek is met het lezen.
Bijlsma vindt de toetsen daarom nuttig. Maar, geeft de juf toe, ze vertellen niet het hele verhaal. „Ten eerste meten Citotoetsen alleen het cognitieve gedeelte: prestaties bij taal en rekenen. Daarnaast zie je bij Cito wel dat leerlingen iets fout doen, maar niet precies wat.” Dat komt doordat de leraar de Citotoetsen niet individueel begeleidt en dus niet kan zien waar de leerling de mist in gaat.
De leerkrachten bekijken de Citotoetsen dan ook altijd nader. En daarom heeft De Klinker ook een eigen, aanvullend systeem. Daarin kijkt de school niet alleen naar taal- en rekenprestaties, maar ook naar sociaal-emotionele ontwikkeling. Het blijkt nuttig voor de school, maar de inspectie heeft tijdens haar bezoeken voornamelijk oog voor de resultaten van de kennistoetsen. Als die niet in orde zijn, krijgt de school kritische vragen van de inspecteur.
Het afrekenen van scholen op standaardtoetsen, zoals het kabinet nu wil, is gevaarlijk, vindt Ton Duif, voorzitter van de Algemene Vereniging voor Schoolleiders. „Scholen gaan, gezien de ervaringen in het buitenland, calculerend om met zulke uniforme toetsen”, zegt hij. „Als je de prestaties van kinderen op hun derde, zesde, achtste en twaalfde gaat meten, dan gaan scholen kinderen aanleren hoe ze die toetsen moeten maken. Dat zie je nu ook al bij de Citotoets in groep 8.” Scholen zullen zich vooral richten op de vaardigheden die worden gevraagd in die toetsen – taal en rekenen – zo vreest Duif. „Er ontstaat een verarming van het curriculum, dat het Nederlandse onderwijs schade zal toebrengen.”
Datzelfde gebeurde eerder in de Verenigde Staten en in Groot-BrittanniĆ«, weet Duif. Die landen voerden eind jaren negentig landelijke toetsen in waar scholen op worden afgerekend. Duif: „Het Amerikaanse onderwijs, dat veel aandacht schonk aan sport en cultuur, iets waar Nederland jaloers op was, is daardoor geheel veranderd.”
In Groot-Brittanniƫ weigerde een kwart van de scholen dit jaar hun leerlingen de Sats, zoals de uniforme toetsen daar heten, af te nemen. De reden: de leraren merkten dat ze te veel bezig waren de kinderen alleen maar op die toetsen voor te bereiden. Aan andere vakken kwamen ze niet meer toe.
Dat Nederland in de voetsporen van Groot-BrittanniĆ« treedt, is niet zo vreemd. Minister Van Bijsterveldt heeft een groot deel van haar beleid ontleend aan de Canadese onderwijsgoeroe Michael Fullan. Die adviseerde eind jaren negentig de Engelse overheid. Zijn advies: concentreer je op de basisvakken rekenen en taal. En: meet de prestaties van je leerlingen en doe er wat mee. Ook het motto van Van Bijsterveldt (’De lat moet omhoog’) komt van de Canadees.
Bas Levering, lector pedagogiek aan Fontys Hogescholen, ziet ook dat het Nederlandse onderwijs back to basic gaat en zet er vraagtekens bij. Levering: „Het leven is meer dan alleen rekenen en taal. Je gaat de inhoud van de basisschool versmallen naar datgene wat je wil toetsen.”
Dat wil niet zeggen dat je je onderwijs niet moet evalueren, zegt Levering. „Maar het idee is nu: als we meer toetsen, dan krijgen we het niveau van het onderwijs in de greep. En dat is natuurlijk een misvatting: toetsen is secundair, je verbetert het onderwijs er niet mee. Nu dreigt het de hoofdzaak te worden.”
Is dat ook nu niet al het geval, als 95 procent van de scholen hun leerlingen in de gaten houdt met toetsen van het Cito? Er is zeker een verschil, vindt Duif. „Je kunt nu nog kiezen voor een ander systeem als je wil. Maar als het een landelijk afrekenmodel wordt, dan gaat het bergafwaarts. Toetsen is prima, maar gebruik het niet om de school te straffen.”
Er zijn dus vraagtekens te zetten bij de toetsen als die gebruikt worden om kinderen en scholen af te rekenen op hun prestaties. Een derde kanttekening is dat veel kinderen niet in een gemiddelde zijn te vangen, zoals standaardtoetsen wel proberen, zegt onderwijsonderzoeker Ron Oostdam van het Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam. „De toetsen zijn, evenals de onderwijsmethodes, afgestemd op de gemiddelde leerling. De echt goede scholier, of hoogbegaafden, moeten een pas op de plaats maken. Daarom ontstaan voor hen aparte modellen, zoals de Plusklas, of Leonardoklassen.”
Uiteindelijk, denkt Oostdam, kan een toets best iets zeggen over een leerling. „Maar hou in gedachten: een toets is maar een toets.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.