Tim Jackson, hoogleraar duurzaamheid aan de universiteit van Surrey, pleit voor een groene revolutie in de economie. We moeten minder produceren en stoppen met schulden maken. „De recessie kan ons daarbij helpen.”
Economische groei is een belangrijke voorwaarde om de recessie te boven te komen. Daar is iedere politieke partij – of het nu gaat om VVD of GroenLinks – het over eens. De partijen hebben weliswaar verschillende visies op de economie en zullen dus andere maatregelen bepleiten. Maar dat de economie weer moet groeien, lijkt een onbetwiste boodschap.
Maar waarom stappen we niet af van dat groeidenken? Waarom zouden we niet allemaal een beetje minder verdienen, de auto wegdoen, vakantie vieren dichtbij huis en ons niet verwennen met het nieuwste model iPhone? Gewoon een stapje terug. Mensen worden er niet ongelukkiger van.
Met deze boodschap reist hoogleraar duurzaamheid Tim Jackson, verbonden aan de universiteit van Surrey, de wereld over. Doel is beleidsmakers een handvat te bieden bij de inrichting van een écht duurzame samenleving. Daartoe schreef hij het boek ’Prosperity without Growth’, waarvan hij gisteren op de Haagse Hogeschool het eerste exemplaar in Nederlandse vertaling – ’Welvaart zonder groei’ – in ontvangst nam. Zijn boodschap: het meten van het bruto binnenlands product is een slechte indicator voor groei. „Het is alleen gebaseerd op materiële groei. Het houdt geen rekening met de eindigheid van grondstoffen, het klimaatprobleem en de ongelijkheid in de wereld. Ik snap dat groeidenken wel; zo zit immers de psyche van de mens in elkaar. Als je kind groter groeit, is dat goed. Groei is iets positiefs. Maar niet in ons economische systeem dat enkel gebaseerd is op meer consumeren”, zegt Jackson.
Zijn boodschap vindt veel gehoor. Jacksons boek is inmiddels vertaald in elf talen.
Hoewel uw boodschap niet helemaal nieuw is, lijkt de noodzaak verdwenen om de economie duurzamer in te richten. Terwijl eind 2008, toen de economische crisis in volle hevigheid losbarstte, politici, academici en zelfs bankmedewerkers een groene revolutie van de economie nodig achtten. De crisis had aangetoond dat het grote graaien afgelopen moest zijn. Die urgentie lijkt verdwenen. Bankmedewerkers kunnen weer rekenen op flinke bonussen en het klimaatprobleem is in veel landen, waaronder de VS, naar de achtergrond verdwenen. Hoe komt dat?
„Ja, die consensus aan het begin van de crisis was ongekend. Ieder land introduceerde op de een of andere manier wel een zogenoemd groen stimuleringspakket waarbij geld beschikbaar moest komen voor nieuwe technologie. Brown (oud-premier van het Verenigd Koninkrijk, red.) speelde in dat debat een voortrekkersrol. Nu zijn we twee jaar verder en zie je dat landen grote moeite hebben de groene ambities, bijvoorbeeld investeringen in duurzame energie, waar te maken. De enige uitzonderingen zijn de Zuid-Aziatische landen waaronder China en Zuid-Korea. Het valt me op dat Europa, dat op papier grote ambities heeft, geen vooruitgang boekt. We praten wel over dertig procent CO2-reductie, maar er gebeurt niets. Duitsland speelde altijd een voortrekkersrol, maar zelfs dat land heeft investeringen in groene energie teruggeschroefd.
Ook het ambitieniveau van de Verenigde Staten valt me tegen. De olie-industrie heeft daar kennelijk zoveel macht dat een snelle omschakeling naar energie opgewekt uit wind en zon niet mogelijk is. Maar ook de psychologie speelt in dit debat een rol. De economie is weer enigszins gestabiliseerd, dus de noodzaak om te veranderen is verdwenen.”
Heeft het ook te maken met het vernieuwde politieke landschap? In Groot-Brittannië is een vrij rechtse regering aan de macht, in Nederland lijkt dat ook te gebeuren.
„Natuurlijk. De Britse regering wil de rol van de staat inperken. Dat betekent dat er minder geïnvesteerd wordt in groene vormen van energie. Het bedrijfsleven moet dat zelf oppakken. Maar de noodzaak is niet helemaal verdwenen.
In Engeland is het ministerie van klimaatverandering en energie nog steeds een van de belangrijkste ministeries. Het klimaatprobleem wordt onderkend en er wordt wel degelijk aan gewerkt om de CO2-uitstoot in te perken. Verschil met vroeger is dat de overheid geen voortrekkersrol meer speelt. Lokale initiatieven en het bedrijfsleven zijn heel belangrijk.”
In uw boek beschrijft u dat onze economie is opgebouwd uit schuld. Dat zou een duurzame economie in de weg zitten. Waarom?
„Van schuld ligt niemand meer wakker. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het ingeburgerd. Toen financierde de staat op basis van schuld bijvoorbeeld het leger. Later maakten overheden nieuwe schulden door nieuwe wegen aan te leggen en andere infrastructuur te verbeteren. Doel was om de economie uit het slop te halen. Die publieke schuld bereikte op een zeker moment een hoogtepunt. Dat losten we op door banken meer geld bij te laten drukken. De publieke schuld werd omgezet in private schuld. Steeds meer consumenten staken zich in de schulden om hun behoeften te kunnen bekostigen. Denk bijvoorbeeld aan het afsluiten van een hypotheek.
Die schuld is een van de belangrijkste oorzaken van de financiële crisis. Mensen raken op een gegeven moment namelijk het vertrouwen kwijt in die almaar oplopende schuld. Dat zie je al in landen als Griekenland en Portugal.”
Maar wat heeft dat te maken met een duurzame economie?
„Het opbouwen van schuld heeft het mogelijk gemaakt dat wij ongebreideld konden consumeren. We kunnen overal op vakantie, we hebben een eigen huis, we kopen voortdurend nieuwe kleding en zo kan ik nog wel even doorgaan.
Die behoefte aan almaar meer zou wel eens het einde kunnen betekenen van onze planeet, immers onze grondstoffen raken een keer op. We moeten daar heel snel mee stoppen. De recessie zou daar bij kunnen helpen.
Je ziet bijvoorbeeld dat mensen hun geld op de bank laten staan om te sparen. Maar kennelijk laat het systeem dat niet toe. De overheid stimuleert mensen alweer hun spaarcenten uit te geven om de economie te laten groeien.”
Houden we dat systeem ook niet in stand omdat we voor het eerst in de geschiedenis bang zijn dat onze kinderen het niet beter krijgen dan wij?
„Ja, die trend is inderdaad zichtbaar. Die angst zou een rol kunnen spelen. Daarom moeten we ook niet bang zijn onze economie anders in te richten. De overheid en het bedrijfsleven zouden op grote voet moeten investeren in groene energie. Op korte termijn levert dat geen winst op, maar dat is niet erg. We zouden met zijn allen minder moeten werken zodat de productie afneemt. We moeten af van onze verslaving aan schuld. De overheid moet paal en perk stellen aan het bijdrukken van geld. Er zijn dan minder liquide middelen en investeringen en schulden moeten strenger worden gereguleerd. En burgers moeten weliswaar de mogelijkheid krijgen zichzelf te ontplooien, maar ze moeten niet meer streven naar almaar meer. Economen bepleiten dat iedere consument vrij is om te doen wat hij of zij wil. Met andere woorden: als mensen anders willen leven, zal dat via het mechanisme van de vrije markt uiteindelijk wel gebeuren. Dat is onzin. Ik merk het zelf. Ik eet geen vlees, heb geen auto en ben al tien jaar lang niet op vakantie geweest in het buitenland. In mijn dorp word ik gezien als een tweederangsburger. Bovendien doe ik er twee tot drie keer langer over om op mijn werk te komen met het openbaar vervoer. Het huidige systeem werkt mij tegen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.