Het bijmengen van diesel en benzine met biobrandstoffen is schadelijk voor het milieu en voor de lokale economie. Bossen worden onnodig gekapt om sojaplantages te ontwikkelen, waardoor het broeikasgasprobleem niet wordt verholpen. Bovendien profiteert de lokale gemeenschap niet van deze ontwikkeling. Bedrijven in Indonesië bijvoorbeeld laten liever migranten het werk op de oliepalmplantages doen omdat die goedkoper zijn.
Dit zijn enkele resultaten uit een groot onderzoek van Cifor, een internationaal onderzoekscentrum op het gebied van landbouw en ontbossing. Ze werden gepresenteerd in het Mexicaanse Cancún, in de schaduw van de klimaatonderhandelingen die daar worden gehouden.
De Europese Unie huurde het instituut drie jaar geleden in om de gevolgen van het gebruik van biobrandstoffen in kaart te brengen. Cifor concentreerde zich in zijn onderzoek op biobrandstoffen die worden gebruikt in de transportsector, zoals jatropha, palmolie, suikerriet en soja.
Alle lidstaten van de Europese Unie hebben zich ten doel gesteld om over tien jaar 10 procent van de benzine of diesel duurzaam bij te mengen. Er klinken echter kritische geluiden. Verscheidene lidstaten en voornamelijk milieuorganisaties keren zich tegen het gebruik van biodiesel en bio-ethanol vanwege schadelijke milieueffecten.
Cifor moest de discussie in goede banen leiden door de Unie enkele instrumenten aan te reiken om het gebruik van biobrandstoffen te reguleren.
Het is de vraag of dat is gelukt. De conclusies van Cifor liegen er niet om. Naast de negatieve milieueffecten, zoals ontbossing, is er nauwelijks voordeel voor de lokale economie van de landen waar de productie plaats heeft, zoals Ghana, Zambia en Indonesië.
„In Ghana bijvoorbeeld heeft de sector het nooit waargemaakt. Veel lokale bedrijven kwamen niet van de grond waardoor minder mensen aan het werk konden dan eerder gedacht”, zegt Laura German van Cifor. „Terwijl de ontbossing voor de productie van soja veel schade toebrengt aan de lokale gemeenschap.”
Bovendien zijn het voornamelijk westerse bedrijven die profiteren van de productie van biobrandstoffen. „De grondstoffen worden in Afrika en Azië uit de grond gehaald, maar biodiesel wordt over het algemeen in Europa of in de Verenigde Staten geproduceerd”, zegt Jan Willem van Gelder van het economische onderzoeksinstituut Profundo, dat ook meewerkte aan het Cifor-onderzoek. Een uitzondering vormt Brazilië, waar suikerriet in het land zelf wordt verwerkt tot ethanol.
Profundo berekende dat de afgelopen tien jaar 2,7 miljard euro door bedrijven, overheden en private investeringsfondsen is geïnvesteerd in de landen die grondstoffen voor biodiesel en bio-ethanol aanleveren. Wordt de productie ook meegeteld, dan komt dat bedrag uit op 5 tot 6,5 miljard euro.
„Vooral de laatste jaren heeft de sector onder investeerders aan populariteit gewonnen. Het is opvallend dat het niet alleen banken en pensioenfondsen zijn die investeren, maar ook overheidsbedrijven”, zegt Van Gelder. Het Italiaanse oliebedrijf ENI heeft bijvoorbeeld een groot deel van de oliepalmplantages in Zambia opgekocht.
Maar of al dat geld op een fatsoenlijke manier wordt geïnvesteerd, met oog voor milieu en lokale economie, dat is vaak niet duidelijk. Volgens Van Gelder zou het daarom goed zijn als overheden de investeringen reguleren: „De Europese Unie zou bepaalde richtlijnen moeten opstellen voor banken en bedrijven, zodat ze weten waar duurzame productie van biobrandstoffen zich afspeelt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.