*

 

Weidevogels hebben weinig aan subsidieboer

Hans Marijnissen − 13/12/10, 00:00

Trek de subside voor weidevogelbeheer aan boeren toch in, zegt de specialist in bescherming van weidevogels. Besteed het geld aan grote reservaten. Daar varen de kievit en de leeuwerik wel bij, net als hun vijand de buizerd.

  • (Werry Crone)

Staatssecretaris Henk Bleker (CDA) herhaalt het keer op keer: met wat boerenwijsheid komt de natuur een heel eind. Maar juist in het weidevogelbeheer, waarbij boeren een grote rol spelen, gaat het fout. Volgens Ernst Oosterveld van ecologisch onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga, is er een ’revolutie’ nodig om de weidevogel de beschermen.

Jaarlijks ontvangen Nederlandse boeren gezamenlijk zo’n 30 miljoen euro subsidie voor de maatregelen die zij nemen om weidevogels te beschermen. Per boer kan dat bedrag oplopen tot enkele duizenden euro’s per jaar, een aardige aanvulling op hun inkomen.

De goeden daargelaten: veel doen boeren daar niet voor. Ze maaien vooral wat later, zodat jonge weidevogels de kans krijgen uit te vliegen voordat de landbouwmachine een einde aan hun nest maakt. Daar komt bij dat de percelen van de gesubsidieerde boeren geen aaneengesloten gebied vormen, maar sterk versnipperd zijn.

Onderzoekers zeggen al jaren dat versnippering van het weidevogelbeheer – overal een beetje bescherming – niet helpt. De cijfers wijzen ook die kant op. De weidevogelstand blijft landelijk dalen. Vorig jaar met vijf procent. Het aantal watersnippen bijvoorbeeld is in twintig jaar tijd gehalveerd, het aantal wulpen daalde in die periode met een derde, de veldleeuweriken met vijftig procent. De kemphaan is zo goed als verdwenen.

Het graslandbeheer, zoals het later maaien ook wordt genoemd, is volgens Ernst Oosterveld volstrekt onvoldoende om weidevogels te beschermen. Hij is in Nederland de specialist op dit gebied en doet al jaren onderzoek in opdracht van provincies, die met de bescherming van deze vogels zijn belast.

„Je kun stellen dat kleine plukjes agrarisch landschap die we als recreanten zo waarderen, met coulissen en hier en daar een bossage, helemaal niet geschikt zijn voor de meest bedreigde weidevogels. Die ruigtes om de velden heen bieden een schuilplaats voor predatoren als roofvogels en zoogdieren als marters en vossen.”

Vaak is het akkerland ook te droog voor de weidevogels. Deens onderzoek naar agrarisch natuurbeheer laat zien dat kieviten natte graslanden duidelijk prefereren boven drogere en dat (voormalig) akkerland voor hen minder aantrekkelijk is. Weidevogels houden kortgezegd van een drassig, open landschap zonder houtwallen, met kruidenrijk grasland van verschillende hoogte waarin ze zich kunnen voeden en verbergen. Het huidige versnipperde, gesubsidieerde landschap sluit daar niet bij aan.

De boeren die voor het weidevogelbeheer worden betaald doen er alles aan om hun gebied kwalitatief zo sterk mogelijk te houden, merkt de milieupolitie. Immers: als het aantal weidevogels te sterk afneemt, vervalt de subsidie.

In heel Nederland, maar vooral in de provincie Friesland, wordt een sterke toename van de stroperij op roofvogels gesignaleerd. Volgens de politie zijn de meeste daders weidevogelbeheerders: lees boeren. Zij beschermen hun product – de weidevogel – door de belager de nek om te draaien. Alleen is die ook beschermd.

Het Jaar van de Buizerd (2010) werd in Friesland ’gevierd’ met vijftig vernielde nesten en 26 vergiftigingen. Er waren dit jaar veertig procent meer meldingen van roofvogelvervolging, blijkt uit een rapport van de politie Friesland. Het aantal door mensen verstoorde nesten van de buizerd en de bruine kiekendief steeg ten opzichte van het jaar daarvoor met meer dan 80 procent.

„Het is heel moeilijk de daders de pakken”, zegt Michel Pol van de Friese milieupolitie. „Het terrein is groot en soms ruig, we hebben weinig personeel en maar één camera. Zie dan maar eens een heterdaadje te scoren.” Toch, als er mensen worden aangehouden, zijn dat vaak de weidevogelbeschermers, zegt Pol.

Volgens zijn baas, Sijbren van der Heide, kent de roofvogelvervolging in Friesland economische motieven, maar is die ook cultureel gedreven. Friezen blijven ei-rapers.

„En de achteruitgang van kievit en grutto wijten zij aan de aanwezigheid van roofvogels”, zegt Van der Heide. Hij kondigt aan dat zijn korps uit bezuinigingsoverwegingen volgend seizoen alleen nog tegen stropers optreedt als er een reële kans is op vervolging van de daders.

Ernst Oosterveld pleit voor een radicale aanscherping van de subsidieregeling voor boeren, die moet worden ingepast in een nieuwe opzet voor weidevogelgebieden, naar Duits voorbeeld. In Duitsland zijn met succes grote reservaten ingericht. „We moeten ook in Nederland toe naar slechts enkele, voor weidevogels geschikte, zeer open natuurreservaten en dan denk ik aan veen- en klei-weidegebieden, van minimaal duizend hectare, met moerasachtige delen.

In Friesland zijn diverse locaties die daaraan voldoen. Combineer die met een ring van gras- en weidegebieden van minstens 250 hectare. Daaromheen kan dan zogeheten agrarisch mozaïeklandschap worden gedrapeerd. Alleen zo kunnen in het centrum van het gebied kritische soorten als de watersnip en de zomertaling overleven. Op de gronden daarbuiten is plaats voor soorten als grutto, tureluur en kievit.”

Oosterveld noemt zijn plan revolutionair. Hij beseft dat uitvoering moeilijk is, omdat deze gronden meestal buiten de ecologische hoofdstructuur (EHS) liggen. Ze zijn immers alleen voor weidevogels geschikt en hebben geen bredere of diepere waarde. Maar het gevecht met de subsidieboeren is wellicht nog ingewikkelder. „De kwaliteitseisen aan hun werk moeten drastisch worden aangescherpt”, zegt Oosterveld.

„Een boer die wil deelnemen als weidevogelbeheerder moet niet alleen zijn maaibeleid aanpassen, hij moet ook het waterpeil verhogen. Daarbij moet hij over kruidenrijk grasland beschikken, minder bemesten en nauw kunnen samenwerken met andere boeren in het mozaïek, zodat zij gezamenlijk kunnen reageren op ontwikkelingen in het veld. Laat ik duidelijk zijn: niet iedere boer is hiervoor geschikt. Niet iedere boer wil voldoen aan deze eisen.”

Volgens Oosterveld is er daarom een ruilverkaveling nodig, tussen boeren die uit het weidevogelreservaat vertrekken en daarbuiten een normaal agrarisch bedrijf voortzetten en boeren die in het reservaat weidevogelvriendelijk willen ondernemen. „De subsidie kan dan gericht verdeeld worden onder een kleinere groep boeren die voldoet aan die hoge kwaliteitseisen.” En die er niet ’wat bij doen’.

mailIcon print |