Veel leraren kunnen er niet omheen: ze móeten soms straf geven om orde te houden. Tegelijk weten ze vaak niet wat ze ermee aan moeten. Want straf werkt lang niet altijd.
Thomas haalt er achteraf zijn schouders over op. Hij zat in de wiskundeles van zijn 3-vwo-klas, op een school in Amsterdam. En ja, die les verliep rumoerig. Veel geklets, veel gegiechel en gegrinnik. Tot de leraar er genoeg van had. „Nú wil ik dat het stil is”, verkondigde hij.
Een paar tellen later draaide Thomas zich om naar een klasgenoot achter hem. „Mag ik even je gummetje lenen?” En toen was voor de leraar de maat vol. „Ga de klas maar uit.”
Terecht? Thomas vindt van niet. Vervelend? Dat evenmin. „Ik heb gewoon de rest van het lesuur muziek zitten luisteren, op mijn iPod.”
Wat Thomas is overkomen, gebeurt dagelijks. Twee derde van alle leraren stuurt wel eens een leerling de klas uit, en daarmee is dit de meest voorkomende straf in het voortgezet onderwijs. Toch zijn lang niet alle leraren ervan overtuigd dat deze straf werkt. „Het is een bot wapen geworden”, zegt er één. „Het raakt onze leerlingen allang niet meer”, stelt een ander.
Straf is een netelige kwestie voor veel leraren. Met name ervaren leerkrachten vinden nogal eens: een goede leraar hoeft niet te straffen. Toch kunnen de meesten niet zonder. Maar in hun opleiding hebben ze er weinig over geleerd. En in de docentenkamer wordt er nauwelijks over gesproken; leraren geven vaak slechts schoorvoetend toe dat ze iemand de klas uit hebben moeten sturen. Er rust een taboe op, zegt een aantal leraren zelfs.
Over straffen op school is dan ook weinig bekend. Wat er in de klas gebeurt, welke straffen leraren zoal toepassen, hoe vaak en voor welke overtredingen – daarnaar is nauwelijks onderzoek gedaan. Daarom legde Trouw deze vragen voor aan leraren zelf, in een enquête in samenwerking met vakbond CNV Onderwijs, én aan drie deskundigen.
„De grondhouding van veel leraren tegenover hun leerlingen is: strijd”, zegt de eerste van die drie, Peter Teitler. Hij werkt aan het Seminarium voor Orthopedagogiek van de Hogeschool Utrecht en schreef het boek ’Lessen in orde’. „Die houding wordt ingegeven door angst: ’Als het maar lukt om orde te houden, als ik maar niet weggepest wordt’.”
„Orde houden is geen kwestie van ’je kunt het of je kunt het niet’, zoals vaak gezegd wordt. Je kunt het léren. En goed straffen hoort daarbij”, zegt René Kneyber, vmbo-docent wiskunde en auteur van het boek ’Orde houden in het vmbo’. „Maar leraren moeten vaak zelf maar uitzoeken hoe ze het doen. Ze werken op een eilandje.”
„Een aantal leraren stuurt er heel vaak leerlingen uit”, zegt de derde deskundige, Harrie Velderman. Hij hoopt volgend jaar te promoveren op onderzoek naar straffen op school. „En dan zie je: het zijn steeds dezelfde leerlingen, met steeds dezelfde overtredingen. Kennelijk werkt het niet.”
Veel leraren betwijfelen inderdaad of hun straffen doel treffen – dat is de eerste indruk die uit de enquête-uitkomsten oprijst. Zes procent van alle ondervraagden legt nooit straf op, maar de overgrote meerderheid vindt: er is niets mis met een goed gekozen straf. Brutaliteit, wangedrag jegens klasgenoten en andere ordeverstoringen zijn vaak genoemde redenen om een leerling de klas uit te sturen.
Maar werkt dat? Helpt een straf om de orde in de klas te herstellen? En zorgt die ervoor dat leerlingen zich voortaan beter gedragen? Ja, zegt een stevige meerderheid. Maar een fors deel (30 procent van degenen die wel eens iemand wegsturen) aarzelt: soms wel, soms niet. „Leerlingen zijn alle soorten straffen al gewend; niets werkt nog”, licht de ene ondervraagde toe. „Vaak straffen leidt tot ongevoeligheid bij leerlingen”, vindt een ander. „Eruit sturen lost het probleem niet op”, stelt een derde vast.
Straf geven is geen wondermiddel. Dat gevoel spreekt ook uit de vele opmerkingen van de ondervraagden over het gedrag van hun leerlingen. „Ze vinden het terecht als ordeverstoorders worden gestraft”, stelt iemand. „Volgens hen zijn leraren soms te slap.” Maar een ander zegt: „Ze zoeken altijd de grenzen op.” Vermoeid stelt een derde vast: „Het wordt steeds moeilijker. Ik moet er tegenwoordig zelfs in 6-vwo op aandringen om alsjeblieft de boeken op tafel te leggen.” En straf je ze, dan ’schieten ze bijna altijd in de verdediging’, verzucht weer een ander. „Ze hebben honderd argumenten om niet bestraft te hoeven worden.”
Jenny Bakermans, lerares Duits in het vmbo, gelooft sowieso niet in straffen. „Straffen zonder meer heeft geen zin. Ik probeer altijd in een gesprek te achterhalen wat er achter het gedrag van een leerling zit. Als je daar tijd voor maakt, bouw je aan een goede relatie. Straffen verslechteren die relatie.” Maar vooral jonge leraren kunnen niet zonder straf, ziet Bakermans om zich heen. „Die blijven alleen overeind door te straffen.”
Maar te vaak straffen ondergraaft het effect, daarover zijn de drie deskundigen het roerend eens. Net als willekeurig straffen of straffen voor onbenulligheden. „Je ziet het nogal eens”, zegt Velderman. „Tegen de eerste leerling zegt een leraar: ’Nu je mond dicht’. Even later zegt ’ie tegen een tweede: ’Mond dicht of je gaat eruit’. En als een derde dan zit te kletsen, is het: ’En nú eruit’. Terwijl zo iemand misschien voor het eerst z’n mond open doet. Dat is willekeur, en dat werkt averechts.”
Bij gewoon ’lastig’ gedrag moet je een leerling er niet uitsturen, daar moet een leraar anders mee omgaan, voegt Teitler eraan toe. „Stuur een leerling er niet uit als ’ie z’n pen vergeten is. Maar wel als hij bij wijze van spreken met z’n passer op het oog van een klasgenoot mikt.”
Wie er te makkelijk iemand uitstuurt, maakt uiteindelijk van die straf een beloning, zegt Velderman. „Dan maakt het geen indruk meer, en dan kan straf zelfs een feestje worden. Even eruit om een sigaretje te roken in de kantine. En als je later de klas weer in mag, word je met gejuich onthaald, dan ben je de held. Maar een straf die statusverhogend werkt, is geen straf meer.”
Wat werkt dan wel? Alle drie pleiten voor heldere regels die consequent gehandhaafd worden. „Een leraar moet duidelijk maken: bij mij ben je hieraan toe”, zegt Teitler. „En geen enkele overtreding mag zonder gevolgen blijven. Niet alles hoeft bestraft te worden. Een ervaren leraar kent wel 72 andere manieren om op gedrag te reageren. Soms is het fronsen van je wenkbrauwen genoeg. Als je maar duidelijk maakt: dit wil ik niet hebben.”
Volgens Kneyber komt het er vooral in het begin van het schooljaar op aan. „De eerste zes weken hamer ik op een paar simpele basisregels. Daar moeten leerlingen als het ware mee oefenen. Als die er eenmaal in zitten, heb je de rest van het jaar geen kopzorgen meer.”
Maar als het om regels en straf gaat, staan leraren er vaak alleen voor – dat is de tweede opvallende uitkomst uit de enquête. Op veel scholen heeft elke leraar z’n eigen regels, en dat maakt het er niet duidelijker op wat precies wel en niet mag.
Driekwart van de leraren onderschrijft de opvatting dat straffen beter werken als alle leraren binnen de school één lijn trekken. Maar slechts een kwart van de scholen heeft regels over straf waar alle leraren zich aan houden. Op nog eens een kwart van de scholen zijn er wel voor alle leraren geldende regels, maar voelen die leraren zich daar niet aan gebonden.
Vooral de ervaren docenten en ook degenen die op het vwo werken, gaan het liefst hun eigen gang. Tot verdriet van anderen. „Als docenten zelf bepalen wat wel en niet kan in hun klas, weten leerlingen niet waar ze aan toe zijn”, zegt een geënquêteerde. „Daardoor hebben docenten die zich wel aan de regels houden het extra zwaar.” Een ander stelt: „Als alle docenten dezelfde lijn volgen, brengt dat rust en duidelijkheid en dat komt de sfeer ten goede.”
Toch lukt het op veel scholen niet om één lijn te trekken. „We hebben net onze rapportvergaderingen achter de rug en er zijn weer afspraken gemaakt”, verklaart Hans van Kempen, leraar Duits op de havo. „Maar ja, afspraken in de praktijk handhaven vraagt volharding. Als de deur van hun klas dicht is, zijn leraren toch individualisten.” Ervaren krachten hebben daar niet veel last van, stelt Van Kempen, ’zwakkere broeders en zusters’ wel.
Onbegrijpelijk, vinden Teitler, Kneyber en Velderman. „Als je probleemgedrag in de hand wil werken, moet je het zo doen: evenveel soorten regels als er leraren zijn”, zegt Teitler. „Stel, de schoolregel is: iedereen blijft tot de bel in de klas. Maar één leraar zegt tien minuten voor die bel: vooruit, ga maar vast. Dan krijgt een ander van zijn klas te horen: wat lullig, bij die-en-die mogen we wél eerder weg. Die eerste zadelt z’n collega dus op met een probleem.”
Leraren en scholen zouden het zich al met al veel makkelijker kunnen maken, concluderen ze alle drie. Maar dan moet de taboesfeer rond straffen verdwijnen, dan moet de lerarenopleiding er serieus aandacht aan gaan besteden én dan moeten schooldirecties zich ermee bemoeien. „Een docententeam moet schouder aan schouder staan”, zegt Kneyber. „Als de directie de noodzaak daartoe niet ziet en er geen werk van maakt, kwakkelt het maar door. Dan geef je de chaos op school een kans.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.