*

 

Minder vlees, dat is het lastigst

Kees de Vré − 23/12/10, 00:00

Wat blijft er over van de Nederlandse ambities op het gebied van klimaat, milieu en duurzame energie nu VVD en CDA aan de macht zijn? De omzetgroei van duurzame producten moet met 15 procent omhoog, de voedselverspilling moet met 20 procent omlaag in 2015, vindt het huidige kabinet. Daarbij past echter geen overheid die normen oplegt en kaders stelt.

  • Pallets met vlees in een vleesverwerkingsfabriek in Den Bosch. De fabriek levert hoofdzakelijk aan de fastfoodketen Mc Donald's. (FOTO OTTO SNOEK)

De Tweede Kamer gaat volgend jaar onderzoek doen naar de verduurzaming van de voedselproductie. Een opmerkelijke stap – met dank aan de Partij voor de Dieren – want voedsel staat in Nederland niet hoog op de politieke agenda. Dat is vreemd te noemen, omdat de wijze waarop voedsel nu wordt geproduceerd in een kwaad daglicht is komen te staan. Het is de meest milieuvervuilende activiteit van de mens, goed voor bijna een derde van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen en de daarbij behorende klimaatverandering.

Die lage politieke prioriteit wringt des te meer omdat Nederland wereldwijd een grote speler is in de voeding. De boeren zijn ondernemend en innovatief. Er is daarnaast een hoog agrarisch kennisniveau en bovendien een politieke bedding die ruim baan gaf aan de industrialisering van de landbouw, zonder al te veel kritische vragen te stellen. Dit ’groene front’ heeft geleid tot een uiterst efficiënte landbouw en een voedingsmiddelenindustrie van behoorlijke importantie. Het belang voor de nationale economie is evident: de dwerg Nederland is de tweede voedselexporteur ter wereld, na de VS. Jaarlijks gaat het daarbij om 60 miljard euro handel.

Vanwege dat grote belang beweegt de Nederlandse politiek zich op kousenvoeten te midden van de aanzwellende kritiek op het landbouw- en voedingscomplex en de dringende noodzaak de steven te wenden. Er moet gedraaid worden naar een manier van eten produceren en consumeren die de planeet niet of nauwelijks belast, maar er wordt veel geld verdiend met de huidige manier van produceren en verhandelen van eten en drinken.

Eind juni 2009 publiceert minister Gerda Verburg van Landbouw haar Nota Duurzaam Voedsel, een eerste teken uit politiek Den Haag dat de waarschuwende signalen vanuit diverse onderzoeksinstituten eindelijk serieus worden genomen. De ambitie is gelijk groot. Nederland moet in 2025 koploper zijn in de wereld als het gaat om duurzame voeding. „Een voorbeeld voor de internationale gemeenschap”, schrijft Verburg er trots bij. De middelen waarmee de voormalige bewindsvrouw dit voorbeeld wil neerzetten klinken echter ouderwets vrijblijvend: convenanten met het bedrijfsleven en daarnaast de consument ervan doordringen dat die bij het schap ook eens stil staat bij de gevolgen van de voortdurende voorkeur voor de goedkoopste voeding.

Wat het huidige kabinet wil is nog niet duidelijk. Het regeerakkoord meldt dat een „gerichte investering in innovatie en verduurzaming in de agrofood-, tuinbouw- en visserijsector nodig is.” Staatssecretaris Bleker geeft half december een aantal concrete doelstellingen. Een jaarlijkse omzetgroei van 15 procent van duurzame producten in supermarkt, horeca en catering. Verder een vermindering van voedselverspilling met 20 procent in 2015. Hoe dat te bereiken? Door ondersteuning en verleiding. „Daarbij past geen overheid die kaders stelt en normen oplegt”, schrijft Bleker in een brief aan de Kamer.

„Goede intenties alleen zijn niet genoeg. Zo’n aanpak laat te veel open”, vindt Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren. „Bleker laat te veel over aan de markt. En juist die heeft alle ellende in de landbouw en voeding veroorzaakt. Als je als overheid stelt dat we de duurzame weg opmoeten, mag je best duidelijke kaders stellen. Dat geeft bedrijven zekerheid en de consument wordt gevrijwaard van foute, want onduurzame producten. Kijk eens hoe dat is gegaan met de invoering van loodvrije benzine. Dat was snel voor elkaar omdat de overheid maatregelen nam.

De verduurzaming van het consumptiepatroon, en daarmee indirect van het productiesysteem, gaat lukken bij een drietal maatregelen, denkt Thieme. „Allereerst moet je de btw op biologische voeding laten vallen als stimulans voor de verkoop. Daaraan gekoppeld wordt een echte beprijzing van onduurzame producten. Neem vlees. De onduurzame variant veroorzaakt veel dierenleed en heeft een hoge milieubelasting. Als je dat laat meewegen in de prijs creëer je een gelijk speelveld.”

Thieme wijst op een onderzoek van de Vrije Universiteit waaruit blijkt dat de externe kosten – milieubelasting, dierenwelzijn, dierziekten, verlies biodiversiteit – van een kilo varkensvlees kunnen worden becijferd op euro 2,06 euro. Dat bedrag komt bovenop de gangbare kiloprijs van euro 6,69 (prijzen van 2009). Voor biologisch varkensvlees hebben de VU-wetenschappers een milieuopslag van euro 0,94 berekend op een geldende kiloprijs van euro 8,36. „De prijzen komen dan een stuk dichter bij elkaar te liggen. Zo kan de consument een echte afweging maken”, aldus Thieme.

Voorts wil zij nog werk maken van vleesalternatieven. Het simpelweg niet eten van vlees als je dat niet wilt, werkt niet, weet Thieme. „Echte vegetariërs zoals ik hebben daar geen moeite mee, maar de consumenten die denken aan een ander menu – met minder vlees – willen toch graag die bite en die smaak in de mond. Dat moet je kunnen bieden als tussenstap. Daar kun je niet om heen.”

Toch kondigen los van eventuele overheidskaders bedrijven aan grote duurzaamheidsstappen te gaan zetten. Kijk naar Unilever, dat in 2020 alleen duurzame grondstoffen wil inkopen, of Albert Heijn die in 2015 al zijn huismerkproducten duurzaam wil maken. „Er is zeer veel gaande in de voedingsmiddelenindustrie”, zegt August Sjauw-Koen-Fa, senior econoom bij de Rabobank, huisbankier van vele grote bedrijven in die sector. „Ik was laatst op een congres van inkopers en daar zie je iedereen doordrongen van de noodzaak van duurzaamheid. Dat wordt minstens zo belangrijk als prijs.”

Toch is achterover leunen er niet bij, zegt Sjauw-Koen-Fa. De Rabo-econoom waarschuwt in een recente studie dat de voedselwereld feitelijk nog steeds een onduurzame koers vaart. Dat vormt een bedreiging voor de voedselzekerheid op de lange termijn. „Het goede nieuws is dat er tot 2050 ongeveer 2,5 miljard nieuwe consumenten bijkomen en meer mensen in steden zullen gaan wonen – 70 procent tegenover 50 procent nu. Er ontstaan zo nieuwe markten. Het slechte nieuws is dat de voorraad natuurlijke hulpbronnen als vruchtbaar land, schoon water, energie, meststoffen en genen slinkt en dat het gebruik ervan veel efficiënter moet, willen we in de toekomst ook nog voedsel produceren voor die groeiende en welvarender wereldbevolking.”

Die combi van meer mensen en minder hulpbronnen vormt al een grote uitdaging voor de voedselvoorziening. Daar bovenop komt de wetenschap dat een deel van de huidige wereldbevolking – vooral de opkomende middenklasse in China en India – zijn dieet gaat veranderen. Hiervoor is extra plantaardige productie - als veevoer - nodig. Bovendien zal er een groeiende vraag zijn naar biobrandstoffen. De energieprijzen gaan stijgen en de klimaatverandering zal het potentieel aan vruchtbaar land verkleinen. „Dat voelt wel ongemakkelijk”, beaamt Sjauw. „Daarom is een ingrijpende omslag nodig en daar moet nu mee begonnen worden. Meestal gaat dat met kleine stapjes, maar af en toe zal de benodigde actie wellicht radicaal zijn.” Welke dat zijn en hoe radicaal het zal ingrijpen kan Sjauw niet zeggen. „Kijkend naar de geschiedenis blijkt dat elke transitie ook bestaat uit enkele radicale stappen.”

Radicaal voor een bank is toch in ieder geval dat van bedrijven wordt gevraagd een mentale draai te maken. „Bedrijven moeten nadenken over hun processen en een langetermijnvisie ontwikkelen waarbij duurzaamheid de boventoon voert. In die zin is mijn studie een wake-up call voor het bedrijfsleven wereldwijd, inclusief de Rabobank, om voedselketens te verduurzamen.” Sjauw noemt wat ingrediënten voor zo’n langetermijnvisie. „Winst maken door louter groei verdwijnt als drijfveer, want dat is een te smalle basis om te overleven in een duurzame wereld. De wereldvoedselstromen gaan veranderen, er komen nieuwe spelers op de markt. Machtsverhoudingen in de keten zullen evenwichtiger moeten worden. Je kunt zwakkere spelers niet constant onder prijsdruk blijven zetten. Vervuilers moeten worden aangepakt. Maatschappelijke organisaties gaan een grotere rol spelen, omdat maatschappelijk draagvlak essentieel is voor fundamentele veranderingen.”

Ook de consument moet veranderen. „De levensstijl moet anders, minder vlees eten bij voorbeeld. Dat is lastigste opgave, vooral voor consumenten in opkomende landen. Dat gedrag zal moeten worden gestuurd via de prijs en voorlichting. Milieukosten zullen geleidelijk in de voedselprijs moeten worden verdisconteerd en ook de nu nog kostenloze, maar schaarser wordende goederen als water en biodiversiteit moeten hun prijs gaan krijgen.”

Er is geen alternatief voor de duurzame weg, zegt Sjauw. De opgave is enorm en daarom zullen alle partijen – overheid, bedrijven, samenleving - moeten samenwerken. „De politiek is weliswaar onvoorspelbaar gebleken, toch zal de overheid moeten kiezen voor een werkelijke transitie, aangeven hoe daar te komen en blijven vasthouden aan die keuzes.”

mailIcon print |