*

 

Land van hufters die elkaar wantrouwen

Willem Schoonen − 18/09/10, 00:00

We hadden deze week twee verhalen in de krant die somber stemmen. De Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama stelde vast dat Nederland in korte tijd is veranderd van een high trust society in een samenleving waarin iedereen elkaar wantrouwt. En zijn Nijmeegse collega Bas van Stokkom liet zien dat hufterigheid de boventoon voert in Nederland.

We zijn dus een land vol hufters die elkaar niet vertrouwen. Het beeld is overtrokken, maar de discussie die zich ontspon op onze website leek dat beeld alleen maar te bevestigen. Sommige reageerders gingen onbehoorlijk tekeer. Al werd het daar natuurlijk ook een spel. Als hufterigheid het onderwerp is, gaat er een grappig bedoelde schep bovenop: „Ik ben het daar niet mee eens. En wie dat niet wil aannemen trek ik z’n kop af!”

En dan zijn er natuurlijk de sitebezoekers die beweren dat hufterigheid in Nederland niet van nature voortkomt, maar is geïmporteerd met de (moslim)immigranten.

Die stelling wordt door anderen echter onmiddellijk onderuit gehaald, met verwijzing naar yuppen die agressief worden als ze niet onmiddellijk hun zin krijgen, en hoogblonde moeders die onder het toeziend oog van hun kinderen het avondmaal bij elkaar jatten. Autochtone hufterigheid!

Dat sluit aan bij het betoog van Van Stokkom, die beweert dat asociaal gedrag dat vroeger alleen in de onderste lagen van de samenleving voorkwam, de norm is geworden, omdat nu de middenklasse vooroploopt in hufterigheid.

In de reacties van lezers wordt die stelling veelal onderschreven. Zoals ook het wijdverbreide wantrouwen van Fukuyama wordt herkend. En het is opvallend hoe in veel reacties wordt gewezen naar de politiek in Den Haag. Zo lang daar op de man wordt gespeeld, mensen niet meer naar elkaar luisteren, en in de Tweede Kamer bewindslieden voor zot kunnen worden uitgemaakt, zal er geen eind komen aan de hufterigheid, vrezen onze lezers.

De vraag is hoe fatsoen en vertrouwen hersteld moeten worden. Want daarop had ook Fukuyama geen antwoord.

Een bezoeker van onze site suggereerde dat we daarvoor misschien terug moeten naar de kerkbanken. Die kreeg de wind van voren: terug naar de kerk is terug in de tijd, dat kan de oplossing niet zijn! Hoezo terug in de tijd?, verdedigde de sitebezoeker zich. Kerkverlating en kerkterugkeer hebben elkaar voortdurend afgewisseld in de tijd.

Ja maar, reageerde een ander, hoe kan het blinde, dogmatische vertrouwen dat de kerk verlangt, het vertrouwen tussen mensen herstellen? Inderdaad, schreef een derde, een moraal aangereikt door de kerk kan alleen helpen als zij zich niet als zaligmakend presenteert, en erkent dat er ’meer meningen zijn onder de regenboog’.

En dan zie je, midden in de hoog oplopende discussie, ineens een simpel, warm en menselijk advies, ondertekend door Irene uit Harlingen: „Mensen die tot vertrouwen in staat zijn, flikken anderen geen geintjes. Dat is geen moreel gebod maar gewoon de realiteit. Kritisch denken en tegelijk uitgaan van een fundamenteel fatsoen in jezelf en anderen, zo moeilijk is dat niet.”

Het doet me terugdenken aan collega Bert Klei. Discussies over onfatsoen en asociaal gedrag waren er natuurlijk ook in zijn tijd. En Bert zei altijd: „De meeste mensen zijn aardig.”

Dat is nog steeds zo. Mijn moeder die, hoewel wat slecht ter been, met de trein reist, hoort steevast een jong mens vragen: zal ik uw tas dragen? Prima. Maar het feit dat ze dat bij aankomst meldt, geeft aan dat we dat tegenwoordig bijzonder vinden. Als het de gewoonste zaak van de wereld was, zouden we het er niet over hebben. Het zit inderdaad niet goed met dat vertrouwen.

mailIcon print |