*

 

In een vlaag van houtskool

Wim Boevink − 03/09/10, 00:00

Sobibor. Daar eindigde, op 9 juli 1943, het leven van Abraham Reiss, diamantair uit Amsterdam. Je zou kunnen zeggen dat hij, met zo vele anderen, in het niets verdween, direct vanuit de trein.

  • Schilderij no. 4 ‿ Westerbork ‿ 20 juni 1943 (fragment). (Jeroen Krabbé)

Bagage afgeven, uitkleden en naar de gaskamer – onder zweepslagen en schlagermuziek.

Nog in de oorlog werd Sobibor met de grond gelijk gemaakt, door de SS – om alle sporen uit te wissen. De plaats waar het stond werd dicht beplant met bomen. Niets zou eraan mogen herinneren dat hier ruim 175.000 joden in gas en vuur verdwenen. Van hen kwamen er ruim 34.000 uit Nederland. Onder wie Abraham Reiss.

Abraham Reiss had een kleinzoon, Tim. Hij heeft hem nog gezien, voor hij in Westerbork belandde en van daaruit werd gedeporteerd. In het jaar na zijn dood in Sobibor werd een tweede kleinzoon geboren. Jeroen.

Jeroen Krabbé. Die zou later een beroemd acteur en regisseur worden. En schilder van vrolijke, kleurrijke doeken. Tot hij eind 2009 vernam van het op handen zijnde proces tegen Ivan Demjanjuk in München. De kampbewaker van Sobibor. Hij las de verslagen van dat proces, las hoe Nederlandse nabestaanden er van hun verlies kwamen getuigen en hoe laatste ooggetuigen voor de rechter traden, brekend soms in hun eigen herinneringen of vernederd en afgeserveerd door een harde verdediger, die gaten schoot in de ijlheid van hun geheugen.

En hij dacht, zoals vaker de laatste jaren, aan wat zijn moeder hem had nagelaten aan herinneringen aan haar vader, zijn grootvader. Aan Abraham Reiss. En toen, ergens eind januari, sloot hij zich op in zijn atelier, met foto’s, brieven, briefkaarten uit Westerbork. En schilderde. Schilderde als een bezetene.

Hij, die eigenlijk nooit mensen schilderde, schilderde zijn grootvader te voorschijn. Dat wil zeggen: hij liet hem herrijzen in houtskool, je zou hem, als hij de houtskool niet had gefixeerd, zo weer uit kunnen vlakken, maar dan nog – dan nog zou zijn silhouet zichtbaar blijven, tussen de olieverf, de as, het zand, het stro en het grint, al die materialen die hij gebruikte om in negen grote doeken zijn grootvader een contour te geven, een geest in een door de kleinzoon herschapen landschap.

Begin mei, amper drie maanden na aanvang van het werk, waren de doeken klaar. Ze hangen nu in een bovenzaal van Museum de Fundatie in Zwolle. Een uitbarsting. Een ode. Een pijniging ook. Hij is tot de grens gegaan van wat zijn verbeelding vermocht, de kitsch, het schmieren, het grote gebaar mijdend. Een sober palet, veel grijs, bruin, oker, een fragment hemel van Van Gogh, een akker van Kiefer, en berken, eerst een enkele, later vele, dicht opeen, een muur vormend rondom die gaskamer. De schuldige bomen van Armando.

Bij de voorbezichtiging loopt de schilder tussen zijn werk en praat en praat, het liefst zou hij zijn grootvader tot spreken brengen, zo lijkt het, maar tenminste diens naam wordt weer uitgesproken – Abraham Reiss, diamantair uit Amsterdam.

mailIcon print |