Psycholoog Douwe Draaisma werkt aan een ’Vergeetboek’ en stelt daarvoor wekelijks lastige geheugenvragen aan deskundigen. Vandaag Bert Keizer: „Ik voel medelijden met dat jochie.”
Een ’lastige vraag’ aan schrijver, filosoof, arts en Trouw-columnist Bert Keizer: ’Hebt u wel eens iets niet willen horen om een dierbare herinnering te beschermen?’
Keizer: „Bij ons thuis kwam vroeger een vriend van de familie, een achterneef van mijn moeder, broeder Daniël. Het was een man die altijd een beetje vrouwelijk in zijn stoel zat, de knietjes tegen elkaar, de handen ertussen, een beetje zijïg, noemden we dat vroeger. En die man dronk graag. Zijn aanwezigheid was heel prettig en onschuldig.
Ik zou eigenlijk niks willen horen over zijn drankprobleem – want dat had hij natuurlijk. En ik zou niks willen weten over zijn homoseksualiteit – want dat was hij natuurlijk. Ik heb hier nooit over gepraat met mijn vader of moeder, dat zou ook niet meer kunnen. Maar die man zou ik graag willen handhaven in wat hij was, toen. En ik hoef eigenlijk geen onthullend nieuws over zijn drank en zijn mislukte homoseksuele leven.”
Herinneringen hebben het verontrustende vermogen achteraf van gedaante te veranderen. Mooie en dierbare herinneringen zou je daar tegen willen beschermen. Het liefst zou je ze opslaan met een beveiligingscode: read only. Er mag niets in veranderd worden. In werkelijkheid worden onze herinneringen de hele dag door driftig herschreven. De literatuurwetenschapper Philippe Lejeune schreef het al in 1975: „Elk mens heeft een soort kladschrift van zijn eigen leven in zich dat voortdurend wordt aangepast.”
Dat is, een kwart eeuw psychologisch onderzoek later, ook wel ongeveer de conclusie: onze herinneringen zijn eerder reconstructies dan recapitulaties van onze ervaringen en die reconstructies staan niet alleen onder invloed van wie we ooit waren, maar ook van wie we zijn geworden, niet alleen van het verleden, maar ook van het heden waarin herinneringen worden opgehaald.
En inderdaad: dat kladschrift wordt aangepast, lijdende vorm, we herschrijven onze herinneringen niet zelf, dat wordt voor ons gedaan en op die momenten dat we met al dat herschrijven worden geconfronteerd – bij het herlezen van een dagboek, een oude brief – zijn we zelf nog het meest verbaasd over wat er intussen is geschrapt en doorgehaald.
Is dat tegen te houden? Bert Keizer probeert zijn goede herinneringen aan broeder Daniël vrij te houden van wat hij intussen weet over alcoholisme of homoseksualiteit. Maar hoor je in zijn verslag niet juist dat dit is mislukt, dat het kwaad al is geschied? Is het ’zijïg’ niet een poging om de herinnering nog eens op te roepen in de taal van destijds en is die vertaling niet juist een onderstreping van de gedaanteverwisseling die de broeder in zijn geheugen heeft ondergaan? Niemand kan in het hoofd van Bert Keizer kijken, misschien zelfs Bert Keizer niet. Maar kan hij nog aan broeder Daniël terugdenken zonder die latere associaties? Wat leest hij als hij terugbladert in zijn kladschrift?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.