*

 

’Het is geen druppel bloed waard geweest’

Joop Bouma en Ross Coulthart − 04/09/10, 00:00

Stephen Melrose zou volgende week 45 jaar zijn geworden, maar zijn leven stopte bij 24. Op 27 mei 1990 werd hij doodgeschoten door het Ierse Republikeinse Leger (Ira), midden op de Markt in Roermond. Melrose wilde alleen maar een foto maken van de katholieke kerk. Kun je de moord op je zoon, gepleegd vanuit een politieke ideologie, eigenlijk bevatten? Roy Melrose, de 79-jarige vader van Stephen, heeft het geprobeerd. Door in gesprek te gaan met een Ira-terrorist. Het viel niet mee.

  • Vier leden van de legendarische Magnificent Seven, die in1972 van gevangenisschip Maidstone wisten te ontsnappen. Uiterst links Tommy Gorman. (Trouw)
  • Tommy Gorman (links) ontmoet de nabestaanden van Stephen Melrose. Uiterst rechts staat zus Helen. Naast haar vader Roy, moeder Beverley, zus Susie en haar man Ian. (FOTO ROSS COULTHART)

Hij heeft er dagenlang tegenop gezien. In de auto op weg naar het huis van Tommy Gorman – voormalig Ira-lid – twijfelt Roy Melrose nog steeds of hij de man wel een hand zal kunnen geven. Hoe kun je respect tonen voor een terrorist, die de dood van onschuldigen beschouwde als een soort van collateral damage, bijkomende schade? „Laten we dit maar zo snel mogelijk achter ons zien te krijgen”, mompelde Melrose (79), kort voor de ontmoeting.

Ook Tommy Gorman (65), die 13 jaar gevangen zat wegens zijn Ira-activiteiten, zag op tegen het gesprek. De ex-terrorist maakte zich op voor de confrontatie met een familie die 20 jaar geleden een zoon verloor door een tragische vergissing van het Ira. Wat kun je meer tegen die mensen zeggen dan dat het je verschrikkelijk spijt, ook al was je zelf niet betrokken bij die moordpartij?

Toch aarzelde hij geen moment toen hem werd gevraagd de familie Melrose te ontmoeten. Gerry Adams, leider van Sinn Féin, de politieke vleugel van het Ira, had eerder bij monde van een woordvoerder botweg geweigerd de familie te ontvangen. Adams houdt tot op de dag vandaag vol dat hij nooit lid was van het verboden Ierse bevrijdingsleger. Hij mijdt slachtoffers.

Maar er zijn harde aanwijzingen dat Adams wel degelijk een prominente rol speelde in de Ira-leiding. Kenners zeggen dat Adams op de hoogte moet zijn geweest van de reeks aanslagen die het verboden Ierse bevrijdingsleger eind jaren tachtig pleegde in Europa en dus ook moet hebben geweten dat een groepje Ira-terroristen in en om Roermond zocht naar Britse doelwitten, een tocht die op 27 mei 1990 uitmondde in de moordpartij waarvan Stephen Melrose en zijn collega Nick Spanopoulos onbedoeld het slachtoffer werden.

Beide Australiërs maakten met hun vrouw en vriendin een toeristisch tripje door Nederland. Ze werkten als advocaten in Londen. Hun auto had een Brits kenteken en de twee konden makkelijk doorgaan voor Britse militairen van de nabijgelegen legerbasis in Duitsland die een avondje uit waren. Die toevallige gelijkenis werd hun noodlot.

Ira-man Tommy Gorman werd ronduit driftig toen hij hoorde van de weigering van Gerry Adams om met de Melroses te spreken: „Als die schoft niet het greintje fatsoen heeft om de familie van een bij vergissing vermoorde Australiër na twintig jaar excuus aan te bieden, dan zijn ze meer dan welkom bij mij.”

Zo kwam het dat Roy Melrose, zijn ex-vrouw en moeder van Stephen, Beverley, zijn dochters Helen en Susie en schoonzoon Ian, vanuit Roermond – waar ze eind juli op de Markt voor het eerst de plek zagen waar Stephen is vermoord – doorreisden naar Noord-Ierland om van een gewezen Ira-terrorist te horen wat hem dreef tot een actief lidmaatschap van de terreurorganisatie.

Roy Melrose wilde, aan het eind van zijn leven, de herinnering aan de gewelddadige dood van zijn zoon die hij twintig jaar meedroeg, laten rusten. Vandaar de reis vanuit Australië naar Nederland en Noord-Ierland.

Het was een gure augustusdag, vier weken terug, in de heuvels bij Carrigart, op de noordelijkste punt van Ierland. Hoewel nog hartje zomer, rolde een kille wind van de nabije Ierse Zee het land op. Maar niemand lette op het weer.

Tommy Gorman wachtte de Melroses voor zijn huis op, zwijgend, gespannen. Door zijn hoofd flitsten misschien de namen van dierbaren die hij zelf in die donkere jaren tussen 1969 en 1990 heeft verloren. Aan de muur in zijn woonkamer hangt een verweerde zwart-witfoto waarop hij met drie jeugdvrienden staat. Jonge mannen, niet ouder dan 20, 22 jaar. Lange haren, leren jasjes, typisch jaren zeventig. Hij is de enige van de vier die nog leeft, de anderen zijn omgekomen in de Noord-Ierse vrijheidsstrijd.

Al bij het eerste oogcontact tussen Roy Melrose en Tommy Gorman wordt duidelijk dat de twee elkaar aanvoelen en elkaar wat te vertellen hebben. Roy drukt de uitgestoken hand van Tommy.

Gorman neemt meteen het woord: „Het is verdrietig wat er is gebeurd. Ik denk dat je achteraf moet vaststellen dat alles wat er is voorgevallen nog geen druppel bloed waard is geweest. Niet van Britse militairen, niet van de vrijheidsstrijders en niet van onschuldige mensen, zoals jullie familielid.” Gorman is de laatste die wil goedpraten wat er is gebeurd.

„Ik ben blij jullie te ontmoeten. Je denkt nooit aan de nabestaanden. Toen ik in het Ira zat, probeerde je de mensen die je wilde ombrengen juist te ontmenselijken. Dat maakte het makkelijker om ze te vermoorden. Je wilt ze niet zien als individuen die een familie hebben, moeders, vaders, kinderen. Ik vind het een voorrecht dat ik mijn spijt kan betuigen, ook voor de rol die ik heb gespeeld in die moordmachine.”

Beverley: „Dus je kunt je voorstellen hoe het moet zijn geweest als dit jouw familie was overkomen?”

Gorman: „O, zeker. In feite heb ik gewoon geluk gehad. Ik heb veel vrienden verloren, maar het enige leed dat mijn familie onderging, was het verdriet om mijn gevangenschap.” Volgens Gorman moeten ook de daders van de moord op Stephen Melrose spijt hebben.

Roy Melrose reageert: „Dat geloof ik niet, ik kan me niet voorstellen dat mensen die anderen in het achterhoofd schieten, ook maar enig gevoel hebben.” De vermoedelijke moordenaars van zijn zoon zijn destijds gepakt, maar werden door het gerechtshof in Den Bosch vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs.

Tommy Gorman vertelt de Melroses over het leven in Noord-Ierland in de jaren zestig. Hoe de scheiding tussen protestanten, die bij Groot-Brittannië wilden blijven, en de katholieken die aansluiting wilden bij Ierland, had geleid tot een hopeloos verdeeld land.

„Katholieken werden gediscrimineerd in Noord-Ierland. Als er banen waren, dan gingen die naar protestanten. Op alle fronten werden we onderdrukt. En in feite is dat nog steeds zo. Wij hebben geprobeerd de strijd met argumenten te winnen, maar katholieken hadden geen rechten. Je groeide op met haat: haat jegens de protestanten, haat jegens het Britse leger dat ons onderdrukte. In die sfeer kon het Ira gedijen. Ik ben in de gevangenis mishandeld. Daardoor word je nog eens bevestigd in die haat. Zeker, er zijn mensen omgekomen door mijn activiteiten binnen het Ira. Heel veel mensen zelfs. Maar ik heb beslist nooit onschuldigen willen ombrengen, ik heb soldaten van het Britse leger willen doden.”

Hij vertelt over een rel in 1964 waarin hij verzeild raakte en als katholiek terecht kwam in protestants gebied. Hoe hij werd afgetuigd door protestanten en door leden van de RUC (de Royal Ulster Constabulary, de speciale politie-eenheid die tot 2001 in Noord-Ierland opereerde).

„Een paar jaar later, in 1969, zag ik bij toeval een RUC-groep van dichtbij op straat een charge uitvoeren tegen katholieke relschoppers. Ze renden voorbij en schoten met scherp, hun vuurwapens waren schuin op de straatstenen gericht. Ik vroeg me af: waarom doen ze dat? Later ben ik er achter gekomen dat dit was omdat kogels die afketsen op de stenen en daarna iemand treffen, zo vervormd zijn dat ze later niet meer kunnen worden getraceerd naar één specifiek vuurwapen. Dus als er iemand zou omkomen, kon bij een onderzoek achteraf de betrokken schutter nooit worden achterhaald.”

Helen Melrose: „Je rechtvaardigt voor jezelf wat je hebt gedaan, maar je had er eerder uit kunnen stappen.”

Gorman: „Nee, nee, het is geen rechtvaardiging. Maar we vonden wel dat we een gerechtvaardigde strijd voerden. Ik had er zeker uit kunnen stappen. Maar als er dan weer eens onschuldigen waren omgekomen, dan dacht je: dit was een vreselijk incident, maar het was geen opzet. We waren naïef en idealistisch. Wat er gebeurde, was soms verschrikkelijk en echt, niemand was vrolijk als er onschuldigen omkwamen. Ik zal nooit het doden van burgers rechtvaardigen. Er is geen rechtvaardiging. Terugkijkend was de hele Noord-Ierse kwestie een ramp vanaf het eerste begin, die nooit had mogen gebeuren en nooit dertig jaar had mogen voortduren.”

Helen: „Heeft het iets opgeleverd?”

Gorman: „Nee. Er is niets veranderd. Niets. Het was een vuile oorlog. Als ik de klok had kunnen terugdraaien Ik heb veel vrienden verloren. Ik heb geluk gehad dat ik overleefde, maar er zijn tallozen die dierbaren zijn kwijtgeraakt. In de jaren zestig hebben we geprobeerd om de discussie te winnen met de kracht van argumenten. Het enige dat uiteindelijk leek te helpen was het argument van geweld. Als de staat de wet negeert en mensen op straat in elkaar laat slaan, dan is er geen recht meer. In die dagen leek het Ira voor mij het enige middel om een verandering teweeg te brengen. Daarom ben ik lid geworden en daarom zijn veel anderen lid geworden. Ik wilde geen burgers doden, het ging mij alleen om het uitroeien van het Britse imperialisme.”

Helen: „Wat bracht je ertoe om er uiteindelijk toch uit te stappen?”

Gorman: „Als je dertien jaar in de gevangenis zit, heb je veel tijd om na te denken. Na de gevangenis ben ik gaan studeren en ik ben maatschappelijk werk gaan doen. Ik heb al die negativiteit van me afgeschud en ben gaan werken voor de arbeidersklasse, zowel voor katholieken als voor protestanten. Daar heb ik veel voldoening uit gehaald.”

Na een gesprek van twee uur neemt de familie afscheid. Met een omhelzing.

„Stephen is slachtoffer geworden van een nare, gemene oorlog”, zegt Tommy Gorman bij het afscheid. „Zijn dood is zo zinloos geweest.”

Roy: „Niet zinloos. Wij denken dat Stephen een held is, want door zijn dood is het Ira in dit deel van Europa gestopt met moorden.”

De ochtend na de ontmoeting heeft de verbittering over de dood van Stephen Melrose de zweem van begrip na het gesprek met Tommy Gorman verdrongen. De vorige avond, na de ontmoeting met de Ira-man, zijn aan Roy Melrose en zijn familie, op hun verzoek, pijnlijke passages voorgelezen uit de verklaringen die getuigen van de moordpartij kort na het drama aflegden bij de politie in Roermond.

Hoe de twee gemaskerde schutters zonder een zichtbaar spoor van aarzeling op hun slachtoffers afgingen en ze koelbloedig liquideerden voor de ogen van hun partners. Niet met drie of vier kogels; er zijn zestien patroonhulzen gevonden. „Het blijft voor mij toch onbegrijpelijk”, zegt Roy. „Ik kan niet geloven dat deze mensen een geweten hebben.”

mailIcon print |