Mijn tante Hans de Kat-van Zijl liet mij haar dagboeken na, waarin ze o.a. haar ervaringen tijdens een ziekenhuisopname in 1932 op ontroerende wijze beschreef. Ik selecteerde 700 van haar woorden, zodat zij postuum kan meedoen aan deze schrijfwedstrijd.
Ten gevolge van de operatie waarover ze spreekt heeft mijn tante nooit kinderen kunnen krijgen, waarover ze zeer verdrietig was. Het liefst had ze deze episode nooit meegemaakt en uit haar geheugen gewist.
Liesbeth de Kat
Klein voorval
Geschreven door Hans van Zijl
Pas kwart over twaalf. Al mijn zaalgenooten eten. Ze interesseeren me niet erg. Ik lig in een hoek, bij de waschbak, waar de zusters almaar hun handen wasschen. Er hangt een handdoek, waar een bordje “Dokter” boven staat, de andere is voor de zusters. Tegenover me, zie ik niets dan een boog over een bed, over die boog liggen de dekens, maar wat er onder ligt weet ik niet. Naast dat bed, staat een bed met een nog jonge vrouw, die gisteren geopereerd moet zijn, ze ligt zoo stil en braakt voortdurend. Opeens vraagt ze “Zuster, moet dat meissie ook geopereerd?”
Dat meissie ben ik, wat denkt ze wel van me, ik ben 22 en al drie jaar getrouwd, maar ja in bed zie ik er uit als zestien en deze zaal is uitsluitend voor gynaecologische patienten, dat weet ieder die er ligt.
Ik krijg geen eten. Ik krijg alleen een clysma en een thermometer. Om half drie zal ik geopereerd worden. Ik lees alsmaar in den brief, die ik vanmorgen van een vriendin kreeg, ik schrijf mijn klein agenda bij. Zouden ze mij een kwibus vinden, dat ik niet praat? Later zal ik met ze praten, nu heb ik geen zin. Goddank, na het eten gaan de gordijnen om de bedden en wordt er een dutje gedaan vóór bezoektijd.
Om twee uur komt de hoofdzuster, ze is goed en vriendelijk tegen me, ze komt met een ander zustertje om me vast te halen, want het is nu bezoekuur en het is prettiger voor me om voor dien tijd uit de zaal te zijn. Ze rollen me voort in mijn bed op wieltjes, ik knik een beetje verlegen naar mijn buurvrouw, die wakker is geworden. Zij wuift vriendelijk terug. Wat aardig, ze is al oud, ze heeft grijs haar en valsche tanden, maar een vriendelijk gezicht.
Ik sta nu alleen met mijn bed in een soort kleine keuken. Ik ben nu zoo alleen als ik nog nooit geweest ben, mijn kruisje heb ik af moeten doen en mijn trouwring en het kleine ringetje, dat ik op mijn tiende verjaardag van moeder kreeg en nu altijd aan mijn pink draag.
Nu heb ik niets meer dat van mezelf is, dan mezelf en ik lig zoo eenzaam in dat vreemde bed met een groote, vreemde gasthuis-zakdoek in mijn bloote, bleeke handen.
Het is net een klein keukentje, er is een raam met glaspapier ervoor. Er staat een groote glazen kast vol, fleschjes en kruikjes en er is een gasstelletje. Aan de andere kant is een grauwe gootsteen, er hangt een zeepbakje in een panspons erin. Dat maakt me zoo ontzettend droevig. Waarom moet iemand, die geopereerd wordt, als het laatste wat hij ziet, een panspons en een gootsteen zien?
Daar heb ik echt verdriet om en al wil ik er niet aan denken en al ga ik liggen bidden, dat ik toch gauw beter mag zijn, gauw weer bij Ott mag zijn, het wordt alsmaar erger en als een zuster binnenkomt rollen de tranen over mijn wangen. Ik zeg niet, dat ik liever maar op de zaal gebleven was, ik zeg niets, maar zij praat vriendelijk en geeft me een spuitje in mijn linkerarm, dan gaat mijn hart hard kloppen, omdat mijn bloed tegen het verdoovend goedje protesteert, maar plotseling word ik heelemaal rustig en kan weer gewoon praten en heb geen verdriet meer.
Klokke half drie komen ze me halen, ik heb nu witte gebreide kousen aan, ik bekijk critisch mijn toilet en zie, dat het niet goed is, maar ik berust, de kousen zijn warm en mijn voeten koud¿...
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.