Na de ontwikkeling van zijn omstreden Oostvaardersplassen wil Frans Vera een nieuwe stap zetten. De huis-ideoloog van Staatsbosbeheer vindt dat Nederland uit 20 procent ’echte’ natuur moet bestaan. Daarin is voor boeren geen plaats.
Er zijn niet veel landen op de wereld waarin een minister van landbouw in een brief aan het parlement aankondigt dat zij opdracht geeft wat balen hooi bij een natuurgebied af te leveren. Dat het afgelopen winter in Nederland wel zover kwam, verbaast Frans Vera nog steeds. „Als er straks een arts in de Kamer zit, gaat deze zich dan ook bemoeien met het uitschrijven van recepten?”
De maatschappelijke discussie over het bijvoeren van de hongerende paarden, herten en runderen in het 5700 hectare grote natuurgebied de Oostvaardersplassen, had nog meer opvallende elementen. Actiegroepen beweerden dat het natuurgebied een concentratiekamp voor dieren was, dat Staatsbosbeheer dode dieren in massagraven dumpte en dat het gebied afgesloten bleef om deze praktijken te maskeren.
En dan was er vorige maand nog het laatste twistpunt. Hoeveel dieren leven er eigenlijk in de Oostvaardersplassen? Uit een hertelling bleek dat er 266 volwassen runderen rondlopen, 142 minder dan Staatsbosbeheer eerst meldde. Maar ook weer meer dan de 150 runderen die tegenstanders geteld hadden. Het gedoe om de cijfers gaf tegenstanders van het natuurlijke beheer weer munitie voor de stelling dat Staatsbosbeheer niet transparant is over het deels afgesloten gebied.
Hoewel de discussie over de Oostvaardersplassen soms anekdotisch lijkt, gaat hij wel degelijk ergens over. En over veel meer dan over het natuurlijk beheer van dit relatief kleine stukje terrein. De discussie toont volgens Frans Vera, een van de architecten van het Nederlandse natuurbeleid, allereerst hoe Nederlanders tegen ’natuur’ aankijken. „De meeste twistgesprekken over natuur en natuurontwikkeling , maar ook over de ’wilde’ Oostvaardersplassen versus het cultuurlandschap, zijn geen ecologische debatten, maar waardenbotsingen”, zegt hij.
„Wij hechten waarde aan de zaken waarmee wij zijn grootgebracht. Natuur is wat wij in onze jeugd als natuur hebben leren kennen. Maar de zogenaamde natuur uit onze herinnering is altijd een cultuurlandschap.” De kikker in de sloot, de koe in de wei, de grutto op een paaltje. Het begrip natuur devalueert, volgens Vera, per generatie. „Wij kunnen zeggen dat de natuur tijdens ons leven achteruit is gegaan. Maar voor onze kinderen is die kwaliteit het beginpunt.”
Vera noemt dit ’het syndroom van de verschuivende ijkpunten’, alsof het om een enge ziekte gaat. Elke keer verschuift ons beeld van natuur en we nemen met steeds minder genoegen. Want er verdwijnt steeds meer. „Er komt ook wel eens wat bij, maar de planten en diersoorten die zich niet konden verenigen met landbouw zijn we dus al kwijt. En we missen ze niet eens. Elke keer komt er weer een generatie die zegt: dít is de natuur. De norm is zo steeds verder naar beneden gegaan.”
Omdat Nederlanders zijn opgevoed met de dieren van de boerderij, weten ze zich geen raad met ’wilde’ runderen en paarden. Kalfjes in de vrije natuur drinken bij hun moeder, paarden blijken opeens kuddedieren. En ja, in de winter vermageren de dieren, na een herfst waarin ze zich hebben volgevreten. Toch zullen de zwakken de winter niet overleven. En daar kan niet iedereen tegen, blijkt uit de emoties in de afgelopen winter.
Toch is de discussie over de Oostvaardersplassen geen draagvlakdiscussie, en al helemaal geen ecologisch debat. Het is, zegt Vera „een ordinaire belangenstrijd tussen natuurbeschermers enerzijds en de boeren, de goede daargelaten, en jagers anderzijds. Het is eenvoudigweg niet in het belang van die sector dat met de Oostvaardersplassen een ander beeld van natuur wordt geschetst. Want stel dat dit model algemeen wordt geaccepteerd? In de Oostvaardersplassen streven we ernaar om onze wilde planten en diersoorten te laten voortbestaan in het raamwerk van een zo natuurlijk mogelijke levensgemeenschap. Dat laat zich niet verenigen met landbouw, en ook niet met bosbouw. Maar vooral niet met landbouw.”
We hebben in de jaren tachtig een enorm gevecht gehad om het gebied waar nu al die runderen lopen, gaat Vera verder, want daar had de landbouw ook zijn oog op laten vallen. „Dat pleit hebben de boeren verloren, het is een natuurgebied geworden. Dat is één. Maar er bestaat voor de agrarische sector nog een grotere dreiging.
„Dat zit zo: door onze koppeling van natuur aan cultuurlandschap, was het makkelijk het woord natuurbescherming te koppelen aan boeren. Daarom is er de laatste jaren steeds meer geld richting de boeren gegaan met het argument dat we zonder hen geen natuur kunnen behouden. Dat is natuurlijk flauwekul. Je kunt best praten over een cultuurlandschap waarin beesten voorkomen, maar van natuur is geen sprake. Juist de introductie van de landbouw heeft veel wilde planten en diersoorten over de kling gejaagd.”
De landbouw heeft andere beweegredenen, zegt Vera, en die zijn volstrekt legitiem. Boeren moeten voedsel produceren en een inkomen vergaren. Maar als zij worden ingezet bij natuurbeheer, is de natuur een product. „Als weidevogelbeheerder krijgt hij dan betaald voor het aantal kieviten dat hij produceert, of grutto’s. Maar als een havik zijn vogels bedreigt, dan knalt hij die af. Het is ook geen toeval dat de grootste roofvogelvervolging nu in het weidevogelgebied bij uitstek plaatsvindt, namelijk in Friesland. Dat roep je dan over je af.”
In het gebied van de Oostvaardersplassen gaan natuurontwikkeling en landbouw dus niet samen, „maar stel nou dat dit model algemeen wordt aanvaard? Dan betekent dit een enorme bedreiging voor de landbouw. Er zal een einde komen aan de geldstromen die boeren voor natuurbeheer ontvangen. Daarnaast zal bij gebieden gekozen moeten worden of het natuur wordt of landbouw blijft. Die twee kunnen immers niet samengaan. Dat betekent dat de landbouw uiteindelijk gebied zal moeten inleveren, terwijl deze sector zijn macht ontleent aan het grootschalig grondbezit.”
Het succes van de Oostvaardersplassen is óók bedreigend voor de jacht, zegt Vera. Vandaar dat juist jagers zich in zijn ogen zogenaamd bezorgd tonen over het hongeren van vee in de winter. De jacht beroept zich op de noodzaak van regulatie omdat er geen grote wilde roofdieren zijn, legt hij uit. „Hoewel roofdieren altijd zwakke exemplaren uitschakelen, schieten jagers juist de dieren in de kracht van hun leven, want er moet ook nog een leuk boutje aan zitten. Je moet de jacht zien als een oogst. Vanwege de lage dichtheden (op de Veluwe één edelhert op 50 hectare) en het bijvoeren van de dieren door bemeste voerakkers, blijven die in zeer goede conditie, waardoor álle hindes jaarlijks een kalf krijgen.”
„De dieren in de Oostvaardersplassen zijn met veel meer (één edelhert op 2 hectare), hebben in de winter honger en zijn mager. Als je er een moet afschieten, is er geen slager die hem wil hebben. Stel nu dat dit model wordt toegepast op de Veluwe, dan betekent dit het einde van de plezierjacht. Wij zijn een bedreiging. De discussie over het natuurbeheer zoals wij dat zien, heeft de vorm aangenomen van een existentiële strijd. Het is zij óf wij.”
Als het aan Vera ligt, is het ’wij, en daarom wil hij 20 procent van Nederland omvormen tot ’echte natuur’. „Het is toch godgeklaagd dat ze de Veluwe al veertig jaar presenteren als ’het grootste natuurgebied in West-Europa’ en elk jaar 90 procent van de wilde zwijnen, nota bene een beschermde diersoort, doodschieten en 60 procent van de edelherten? En dat gebeurt omwille van de jacht, de houtproductie en de landbouw. De 90.000 hectare Veluwe zou ook een écht natuurgebied kunnen worden.
Maar ik denk bij de uitbreiding ook aan de uiterwaarden van de rivieren; kijk naar de Millingerwaard bij Nijmegen, nar de Utrechtse Heuvelrug, met een koppeling naar de uiterwaarden. Grote bos- en heidecomplexen in Noord-Brabant. De oostelijke Maasoevers, de Meinweg, de duinen, en het Drents-Friese Wold.
Nederland is te klein voor ’wilde natuur’, zeggen de tegenstanders. Nee, zegt Vera, er zit te weinig ruimte tussen je oren, er is ruimte zat. Nederland is een slecht opgeruimde kamer. „We zitten vast in heel stringente natuurbeelden, die zijn ontleend aan een situatie die is ontstaan nadat alle natuur was ontgonnen.
„We moeten af van de kaasstolpgedachte waarin alles moet blijven zoals het is. Natuur is dynamisch, het klimaat verandert, het water moet zijn weg kunnen gaan en dieren en planten moeten kunnen migreren. Dat kan alleen binnen een aaneenschakeling van grotere gebieden, waarin de natuur haar gang kan gaan.”
Niemand weet hoe de natuur er duizenden jaren geleden heeft uitgezien, elk actueel natuurbeeld is een constructie, door mensenbreinen bedacht en mensenhanden gemaakt.
„Maar kijkend naar wat we geconstrueerd hebben en hoe planten en dieren daarop reageren, kunnen we onderzoeken met welke constructie we dichter bij de waarheid komen. Ik ben er van overtuigd dat we met de Oostvaardersplassen, maar ook in de Millingerwaard, dichter bij het doel van natuurbehoud zitten dan op de Veluwe.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.