*

 

Oorlog om de schommel en de wipwap

Iris Pronk − 08/09/10, 00:00

Lastige jongens in de speeltuin. Wie roept ze tot de orde, als hun eigen moeder dat niet doet? Of: wie corrigeert hun moeder?

Speeltuinen zijn vaak warzones. Neem een simpel tuintje in een grote stad, met een glijbaan, een klimrek en een schommel. Op die laatste zit een tweejarig meisje, haar moeder duwt haar voort. Stilte voor de storm.

Die storm komt in de gedaante van drie oudere jongens. Zij betreden de speeltuin als heersers: alles is van hen. ’Mogen wij nu op de schommel?’ zegt er één, terwijl hij zich met zijn broertjes alvast intimiderend dicht bij de schommelende peuter posteert. Haar moeder sputtert zwakjes tegen, maar druipt met dochter toch gauw af.

Tot dusver geen oorlog, hooguit hinderlijk jongensgedrag. Maar dan betreden nog twee volwassenen het toneel: de moeder van de jongens, die druk aan het sms’en is en slechts een kwart oog op haar zonen richt. En een onbekende oma, die besluit deze vrouw flink te bekritiseren. „Het is geen stijl, zoals uw zonen dat kleintje van de schommel pesten. Waarom corrigeert u ze niet?”

Heeft oma gelijk: moet moeder de jongens tot de orde roepen? Kunnen de andere twee volwassenen dat niet net zo goed?

En gelijk of niet: oma’s onversneden kritiek maakt de jongensmoeder boos. Hoe moet dat wél: feedback geven op andermans optreden als opvoeder?

Met een beetje tact en humor, zegt de Utrechtse hoogleraar opvoedkunde Micha de Winter. Oma had ook zo kunnen beginnen: ’Lekkere jochies, die zonen van u. ’t Lijkt me lastig ze in te tomen. In hun enthousiasme jagen ze dat meisje weg, ziet u dat?’

Kritiek geven op andermans opvoeding is een soort ’modern taboe’, weet De Winter. Toch staan veel ouders volgens hem best open voor feedback: „Het is een kwestie van durven. En je moet het niet op de ram-bam-manier doen.”

De hoogleraar is een aanhanger van de uitspraak It takes a village to raise a child: je hebt een dorp nodig om een kind op te voeden. Dat betekent dat ook de buurvrouw, de zwemleraar, de supermarktcaissière en een willekeurige moeder in de speeltuin een kind moeten ondersteunen én corrigeren. „Kinderen moeten leren in hun gedrag rekening te houden met anderen”, aldus De Winter. En daar hebben ze, naast hun eigen ouders, andere volwassenen bij nodig.

Oma had zich dus ook gewoon tot de jongens kunnen richten: „Hee, zouden jullie niet eerst even op de glijbaan gaan spelen?” Dat geldt ook voor de moeder van het schommelende meisje, zegt pedagoge Josje Burghard, die in Amsterdam opvoedcursussen voor ouders verzorgt. „Zij had tegen de jongetjes kunnen zeggen: ’Wij gaan nog vijf minuten schommelen, en dan mogen jullie.’ Of: ’Als jullie tien keer van de glijbaan zijn geweest, is de schommel voor jullie’.”

Volwassenen moeten hun opvoedkundige inzichten – liefst verpakt in opbouwende, concrete aanwijzingen – dus gul over andermans kinderen uitstorten. Dat heeft – naast een gezellige speeltuin – nog een ander voordeel, zegt De Winter: „Je voedt indirect ook hun ouders op”.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />