Hij was de eerste wielerjournalist die over doping begon. Hij liet zichzelf injecteren om de effecten te leren kennen. Een bevlogen aanpakker.
Op zijn sterfbed liet Jean Nelissen zich tegenover een verslaggever van de Limburgse omroep L1 ontvallen dat hij het er zwaar mee had. Niet met zijn naderende einde, want daar had hij zich min of meer bij neergelegd. Maar veel meer bij de anonimiteit die hem de laatste dagen en weken als een grauwe deken was overvallen. Maar weinigen kwamen de nestor van de vaderlandse wielerjournalistiek nog opzoeken. „Ik werd elk moment omringd, nu zie ik alleen maar kale ziekenhuismuren.”
Nelissen overleed woensdag op 74-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Maastricht na een lang ziekbed. Hij belandde er met een gebroken heup. Zijn lichaam was toen eigenlijk al op, gesloopt door overmatig alcoholgebruik. Als iets in zijn leven een grotere rol speelde dan zijn werk of privéleven dan was het de jenever wel. Alcohol was, nog meer dan wielrennen, zijn rode draad.
Hij mocht er in zijn laatste levenfase met liefde mee koketteren. In een weinig verhullend interview in het Algemeen Dagblad, enkele jaren geleden, ging hij er prat op dat hij een getalenteerd innemer was. De buitenwacht was geshockeerd. Hij wist hoe hij weer even alle aandacht voor zichzelf kon opeisen.
Die aandacht was hem in 1996 ontnomen toen hij bij Studio Sport plaats moest maken voor een jongere lichting. Dat viel hem zwaarder en zwaarder.
Meer dan twintig jaar lang was er geen wielrenner die ongestraft langs Nelissens microfoon kon glippen. De groten – Zoetemelk, Kuiper, Raas en Knetemann – stonden voor hem klaar. Niet omgekeerd. Maar bij Studio Sport, waarvoor hij sinds 1969 op freelance basis onafgebroken werkte, werd hij te oud bevonden. „Bij achttien mag je je rijbewijs halen, op je zestigste ben je een oude lul”, zei hij daarover.
Hij mocht als pleister op de wonden nog tot 2007 voor De Avondetappe, het Tourprogramma van zijn kompaan Mart Smeets, korte reportages maken. Hij schreef het laatste decennium columns voor NRC Handelsblad en werkte gestaag aan zijn eigen boeken.
Maar de glorie die van hem afstraalde in de twintig tropenjaren op televisie die hij samen met Smeets deelde, vond hij nadien nooit meer terug.
Hoezeer de televisie hem lief was, bleek na zijn vervroegde pensionering, eind 1994 bij De Limburger. „Dertig jaar heb ik bij de krant gewerkt en ben zo buiten gestapt. Daar heb ik geen moeite mee”, sprak hij twee jaar later in Trouw quasi nonchalant.
Aan zijn andere carrière, die van schrijvend journalist, had hij evenwel de fundamenten van zijn nationale roem te danken. De jonge Nelissen was 29 toen, bij wat destijds nog De Nieuwe Limburger heette, zijn loopbaan als sportjournalist begon. Dat was in 1965. Twee jaar later versloeg hij zijn eerste Tour de France. Uit noodzaak want Nelissen was eigenlijk voetbalverslaggever, maar omdat zijn collega ziek was, werd hij naar Frankrijk gedirigeerd. „Ik had zelf gefietst als jongen, dus waarom doe jij het niet?”, markeerde hij ooit het kantelpunt in zijn leven.
Zijn eerste Tour de France legde de kiem voor zijn verdere carrière. Dat had alles te maken met de dood van Tommy Simpson, de Brit die op de flanken van de Mont Ventoux waarschijnlijk bezweek onder de amfetaminen, alcohol en moordende zon. Simpsons overlijden maakte een dermate grote indruk op Nelissen dat hij als eerste verslaggever op het dopingvraagstuk dook, zijn journalistieke neus volgend. Hij liet zich bij wijze van proef drogeren met pervetine dat destijds onder wielrenners in zwang was. Nelissen, zelf coureur geweest, concludeerde dat doping een renner vooruit kon ’helpen’.
Het onderzoek dat Nelissen deed naar doping was tekenend voor de Limburger, die op zijn hoogtepunt bakken vol fanmail kreeg van vooral vrouwen. De in Geleen geboren knaap, kwam uit een gezin dat door de oorlog berooid verder moest. Nelissen was een bevlogen aanpakker, gedreven ook om de regie te houden over zijn eigen leven. Op zijn zeventiende werd hij leerling-journalist bij een huis-aan-huiskrant in Valkenburg en in zijn diensttijd redigeerde hij het bataljonsblaadje.
Zijn journalistiek aspiraties zette hij bij tijd en wijlen gedwongen opzij. Het betaalde zeker in het begin niet genoeg om aan de vele verplichtingen te voldoen. Zo bezat Nelissen ooit een frituur en werkte hij als postjongen. Later verdiende hij veel geld met onroerend goed en in de verzekeringsbranche. Hij bezat een kasteel in het Limburgse Geuldal en wanneer de Amstel Gold Race er langs kwam en de camera erop inzoemde riep Smeets steevast: „Aardig optrekje, vind je niet Jean.”
Een man in bonis die later onder vage omstandigheden zijn kapitaal allemaal kwijtraakte. Veel wou hij daarover nooit kwijt wannaar hij er naar werd gevraagd. „Laten we het familieomstandigheden noemen.” Zijn privéleven hield Nelissen ver weg van de openbaarheid en voor collega’s die zelfs jarenlang met hem samenwerkte. Hij was getrouwd en kinderloos.
Veel meer details gaf Nelissen nooit prijs. Ook niet toen hij zijn einde voelde naderen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.