*

 

Onbekende lichamen weer boven de zoden

Rianne Klazinga − 07/09/10, 00:00

Er hangt een weeïge lucht op de Amsterdamse begraafplaats Sint Barbara. Achter een haag van coniferen zijn politiemensen met een graafmachine bezig met het opgraven van stoffelijke resten. Het gaat om de eerste zes van in totaal 22 niet-geïdentificeerde lichamen die voor DNA-onderzoek uit de grond gehaald zullen worden.

  • Onder toeziend oog van politiemensen worden  zes niet-geïdentificeerde doden opgegraven op de Amsterdamse begraafplaats Sint Barbara.   (FOTO JEAN-PIERRE JANS)
    Onder toeziend oog van politiemensen worden zes niet-geïdentificeerde doden opgegraven op de Amsterdamse begraafplaats Sint Barbara. (FOTO JEAN-PIERRE JANS)

De zes die gisteren opgegraven werden, zijn tussen 1997 en 1999 begraven. „Het nemen van DNA-monsters is destijds niet gebeurd, omdat de procedures toen nog niet zo vergevorderd waren”, vertelt Theo Vermeulen, teamleider Review & Cold Case bij de politie Amsterdam-Amstelland. „Het gaat razendsnel in de DNA-methodiek. Eind jaren negentig had ik amper van DNA gehoord, dat was iets waar ze in Amerika net mee bezig waren.”

Het opgraven van zoveel lichamen voor identificatie is uitzonderlijk. Het team van Vermeulen stuitte op de doden bij het heropenen van een oude zaak. „In 2007 hebben we hier voor een onderzoek een onbekend lichaam opgegraven”, vertelt Vermeulen. „Toen bleken er nog veel meer onbekende lichamen te zijn, die binnenkort geruimd dreigden te worden.”

Een deel van de onbekenden is door een misdrijf om het leven gekomen, de rest is een natuurlijke dood gestorven. „Wij concentreren ons bij dit onderzoek echter uitsluitend op de identificatie, het oplossen van misdrijven is niet aan de orde”, zegt Vermeulen.

Na het opgraven brengt de politie de lichamen naar een hoek van de begraafplaats, waar mensen in witte overalls met groene mondkapjes en haarnetjes een grote tent in- en uitlopen. „Hier worden de stoffelijke resten eerst uitgebreid gefotografeerd”, vertelt Reza Gerretsen, forensisch antropoloog voor het Nederlands Forensisch Instituut. „Daarna nemen we monsters van het dijbeenbot. Een deel hiervan gebruiken we voor de leeftijdsbepaling. Een tweede stukje voor het toxicologisch onderzoek, waarbij we kijken of iemand met drugs of andere schadelijke stoffen in aanraking is geweest”, vertelt Gerretsen. Het derde deel wordt gebruikt voor de zogeheten isotopische bepalingen. Hierbij wordt aan de hand van stoffen in het bot nagegaan of iemand bijvoorbeeld lange tijd in het buitenland is geweest.

Verder kijkt Gerretsen naar diverse andere kenmerken van de botten. „De vorm van het gebit en de schedel zeggen ook veel over onder andere het geslacht en de etniciteit van een lichaam. Zo verzamel ik allemaal kleine stukjes, die leiden tot een biologisch profiel. Dat draag ik over aan de politie, die daarop verder kan rechercheren”.

Na het afnemen van de monsters zijn de lichamen herbegraven op een nieuwe plek, waar zij voorlopig niet geruimd zullen worden. Vermeulen: „We hopen uiteindelijk zoveel mogelijk lichamen bij nabestaanden terug te brengen, hoewel sommige doden waarschijnlijk nooit geïdentificeerd zullen worden.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />