*

 

RIVM: Meer gif op voedsel dan gedacht

Sander Becker − 09/09/10, 00:00

Nederlanders kunnen via de voeding meer bestrijdingsmiddelen binnenkrijgen dan gedacht. Daarom moet de toegestane hoeveelheid gif op sommige gewassen wellicht omlaag, stelt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

  • Baby en peuter zijn extra kwetsbaar voor gif op voedsel, aldus het RIVM.  (Reuters)
    Baby en peuter zijn extra kwetsbaar voor gif op voedsel, aldus het RIVM. (Reuters)
  • Baby en peuter zijn extra kwetsbaar voor gif op voedsel, aldus het RIVM.  (Reuters)
    Baby en peuter zijn extra kwetsbaar voor gif op voedsel, aldus het RIVM. (Reuters)

Het instituut signaleert het probleem op basis van herziene rekenmodellen voor de blootstelling aan bestrijdingsmiddelen. De nieuwe modellen houden, anders dan de oude, niet alleen rekening met onverwerkte gewassen, maar ook met verwerkte, zoals tomaat, olijf en graan in een pizza. Zo wordt de blootstelling optimaal geschat.

Nieuw is ook dat voor het eerst baby’s en peuters als een afzonderlijke risicocategorie zijn opgenomen. Vooral zij blijken kwetsbaar. „Bij baby’s en peuters kan de blootstelling een factor 1,5 à 2 hoger liggen dan bij oudere kinderen”, zegt RIVM-onderzoekster Bernadette Ossendorp. „Dat komt niet alleen doordat ze kleiner zijn, waardoor ze per kilo lichaamsgewicht meer bestrijdingsmiddelen binnenkrijgen. Het heeft ook te maken met hun consumptiepatroon; als ze vast voedsel gaan eten, beginnen ze vaak met alleen maar geprakte banaan.”

De onderzoekers hebben gebruikgemaakt van de meest actuele voedselconsumptie-peilingen. Aan de hand daarvan hebben ze berekend hoeveel gif Nederlanders in theorie maximaal binnenkrijgen. De resultaten zijn nog niet vertaald naar concrete producten of gewassen.

„We kunnen nog niet zeggen dat je moet uitkijken voor sinaasappelsap of iets dergelijks”, zegt Ossendorp. „We zien alleen dat mensen over het algemeen iets meer bestrijdingsmiddelen kunnen binnenkrijgen dan gedacht. Dat kan gevolgen hebben voor de normen.”

De normen voor bestrijdingsmiddelen worden op Europees niveau bepaald door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid. Deze organisatie is al bezig om de nieuwe RIVM-modellen, die internationaal veel belangstelling wekken, te vertalen naar de praktijk. Dat kan maanden duren, verwachten de onderzoekers.

In de tussentijd hoeven consumenten zich volgens Ossendorp geen zorgen te maken. „Meestal zijn de normen uit voorzorg zo streng dat ze niet zullen hoeven worden bijgesteld. En mocht het toch nodig zijn, dan wil dat nog niet zeggen dat burgers jarenlang risico hebben gelopen: de normen zijn namelijk gebaseerd op de maximale blootstelling. In de praktijk komen mensen daar niet zomaar bij in de buurt.”

Ter geruststelling voegt de onderzoekster nog toe dat de blootstelling voor elk Europees land apart wordt berekend, op basis van het lokale voedingspatroon. Vervolgens kiest Europa de hoogste lokale blootstelling en baseert daarop een strenge norm voor de hele Europese Unie.

Dus ook al is de maximale Nederlandse blootstelling nu voor veel middelen hoger dan gedacht, dan kan het toch best zo zijn dat vanuit Europa al een voldoende strenge norm van kracht was. Het omgekeerde kan overigens net zo goed: in veel andere landen zal de blootstelling eveneens te laag zijn ingeschat, waardoor veel Europese normen moeten worden herzien.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />