*

 

Waar was je al die tijd?

Wim Boevink − 09/09/10, 00:00

Een bevriend beeldend kunstenaar stuurde een uitnodiging voor een groepstentoonstelling over Geluk. Ze had er zelf aan bijgedragen. Ik las haar bericht nogal slordig en meende dat zich een groep kunstenaars aan het thema Geluk had gewijd en omdat we allemaal gelukszoekers zijn toog ik erheen.

Wel bedacht ik onderweg dat beeldende kunst zich misschien moeilijk verhoudt met geluk, want wat moet je daaraan nu verbeelden? Dat wil zeggen: geluk is iets dat alom wordt nagestreefd, maar eenmaal bereikt valt alle spanning weg en betreden we een soort niemandsland, waarin niets meer gezegd of gedaan hoeft te worden en niets drijft ons meer aan. Met enig geluk bereiken we die toestand op hogere leeftijd en zitten we matige stillevens te aquarelleren voor ons Zuid-Franse landhuisje.

Geluk is, eenmaal bereikt, verbijsterend oninteressant. Waren we allemaal gelukkig, we zouden elkaar niets meer mee te delen hebben. De hemel, mocht die bestaan, is een hel.

Misschien is daarom geluk op deze aarde iets voorbijgaands, een deelprogramma van de vergankelijkheid, en vergankelijkheid – dat is nu weer een mooi thema voor de beeldende kunst.

De tentoonstelling ’Geluk’ – in de oude diamantslijperij van Asscher in de Amsterdamse Tolstraat – bleek te zijn samengesteld uit aangedragen voorwerpen van ’gewone mensen’, die daartoe via een advertentie en een artikel in Het Parool waren opgeroepen. Aan dat voorwerp zat een geluksgevoel verbonden. Een veertigtal mensen reageerde en liet zich met het voorwerp fotograferen: het resultaat hing in groot formaat aan de muur, met telkens een paar regels tekst eronder ter verklaring. De voorwerpen zelf hingen er ook, in een ander vertrek, ontdaan van hun context. Zielloze dingen, voor wie er niet mee verbonden is.

Een poesiealbum. Een jurkje. Een flitspuit. Een knuffelkonijn. Een handtas. Een hondenriem. Een badpak. Een ingelijst gedicht van Baudelaire. Zulke dingen.

Het ontbrak er nog maar aan dat iemand een lokje van een pasgeboren kindje zou hebben ingezonden; zo particulier dat je denkt: wat moet ik ermee, ik heb thuis ook zo’n lokje. En verdraaid, zo’n lokje was er. Een man liet het zien op een foto, het zat in een messing doosje. Het was van zijn eerstgeborene, maar ineens bleek achter dit particuliere geluk iets duisters schuil te gaan. De man had zijn kind al 35 jaar niet gezien. Hij hoopte nu op een contact.

En zo was er meer vergankelijkheid. De hond van de hondenriem was dood en werd zeer gemist, de handtas was verloren en na zestig jaar teruggevonden op een rommelmarkt (met het portemonneetje er nog in), het poesiealbum bevatte een gedichtje van een vader dat pas lang na diens dood gelezen werd.

Het knuffelkonijn dook na een halve eeuw op op zolder. En daaronder las ik deze prachtige regels, een leven omvattend : „Waar was je al die tijd?” vroeg konijn met zwakke stem. „Groot worden en de kost proberen te verdienen”, zei ik.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />