Als kind had de Iraakse Koerd Ibrahim Selman zondige gedachten over Allah en Satan. Sindsdien denkt hij dat het leed dat over hem en zijn familie kwam zijn schuld is. „De straf van God blijft mijn schaduw. Wie kan helpen te bemiddelen tussen hem en mij?”
Religie wordt je met de paplepel ingegoten. Bij moslims zelfs eerder: direct na de geboorte wordt in het oor van de pasgeborene Allah aangeroepen. De bedoeling is dat het geloof, de liefde van Allah in je bloed gaat stromen en je een goede moslim wordt. Toch helpen die rituelen niet altijd. Veel mensen praktiseren hun geloof automatisch, als een gewoonte, niet uit overtuiging. En er is een categorie die helemaal niet gelooft en ook geen religieuze rituelen meer koestert.
Tot mijn negende levensjaar pendelde ik heen en weer tussen de eerste en tweede categorie. Ik wilde heel graag dat het geloof, de islam, in mijn bloed zou stromen, maar ik slaagde er toch niet in. Ik beoefende mijn religie als gewoonte, zonder overtuiging.
De oproep van de imam in mijn oor, kort na mijn geboorte, had blijkbaar averechts gewerkt. Misschien bezat hij geen goede, zangerige stem. Misschien stonk hij uit zijn mond. Misschien dacht hij stiekem aan iets anders dan aan Allah, misschien dacht hij tijdens de oproep niet aan de overgave, niet aan de liefde van Allah en zijn profeet Mohammed. Maar misschien zijn mijn twijfels ook pas later gekomen.
Toen ik een jaar of vier oud was moest ik koranles volgen. Ik heb niet meer dan vier keer een bezoek aan de mollah gebracht, maar het was voldoende om een hekel te krijgen aan deze secondant van de imam in het dorp. Hij wilde de woorden met de stok in onze hoofden stampen.
Als een moslimkind de leeftijd van zeven jaar bereikt dan is het verplicht vijf keer per dag te bidden, het moet tijdens de maand ramadan vasten, en zo zijn er meer voorschriften. Tijdens het gebed sta je stijf stil, schouders omlaag, in een nederige positie. Je kijkt naar de grond. Je bukt, knielt, en staat weer op. Je herhaalt de buk- en buighandelingen, je blijft naar de grond kijken terwijl je iets fluistert. Iets dat je tegen Allah zegt, dat je eeuwig onderdanig aan hem bent. Die nederigheid moet je per dag vijf keer herhalen. Ik dacht toen al: waarom die herhaling, waarom moet ik me vijf keer reinigen en bijna twintig keer per dag bukken en buigen en mijn voorhoofd op de grond leggen? Ik vroeg me af of God al dat gedoe nodig had om mij te vergeven. Vergeven waarvoor? Ik had toch niets gedaan om voor vergeven te worden?
Later, toen ik als volwassene meer las over het ontstaan van de islam en de sociale omstandigheden van toen, begreep ik dat de profeet Mohammed vooral wilde voorkomen dat de mannen niet constant aan seks en drank zouden denken. Het waren allemaal stappen en regels om die mannen te temmen. Hij verbood de drank bijvoorbeeld niet in één keer, maar in stappen. En ook voor het seksuele verkeer bedacht hij spelregels waardoor een en ander niet al te niet beestachtig zou verlopen. Mannen moesten zich fatsoeneren, scheren, zelfs een geurtje opdoen, en vooral de tijd nemen voor het voorspel. De oneindige hoeveelheid vrouwen die mannen toentertijd mochten bezitten beperkte hij tot slechts vier.
De goede moslim mocht tijdens het gebed aan niets anders denken dan aan God, aan zijn liefde maar vooral aan zijn verschrikkelijke straf. De Koran staat vol met waarschuwingen, bijna in alle soera’s staat dat de straf van Allah heel hard kan zijn. De Profeet boezemde op deze wijze angst in bij de geharde mannen. De mannen van Al Djahiliye (= achterlijkheid, waarmee het tijdperk van vóór de islam wordt bedoeld) moesten fatsoenlijke normen en waarden bijgebracht worden. Ze moesten zich tijdens het gebed vooral op godsliefde en godswraak concentreren.
Voor mij als kind was het onmogelijk mij op godsliefde te concentreren, vooral als ik in de moskee ging bidden. De geluiden, geuren en de houdingen van de mensen die bukten en bogen tijdens het gebed leidden mij af. Soms hoorde ik het geknor van iemands buik. Of ik keek naar de wijde broeken die na het bukken tussen de billen van de mannen bleven hangen. Ook het gefluister van bepaalde mannen was erg irritant. Zij die dachten de soera’s uit hun hoofd te kennen fluisterden hun gebed en gesmeek aan Allah op luidere toon.
Alles leidde me af. Ik keek naar de nagels en de aderen in de voeten, naar de verschillende soorten tenen, naar de gaten in de sokken, naar de scheuren in broeken, naar mannen die last hadden van jeuk in hun kruis. Ik zag scheefhangende hoofddeksels of keppeltjes, gedroogde stukjes snot die aan de neusharen van de dorpelingen hingen.
Ik stond altijd naast mijn vader en keek niet naar de grond zoals het hoorde, maar vooral omhoog en zag de lippen van mannen constant bewegen. Vaak moest ik op mijn lippen bijten om niet te lachen. Mijn vader werd dikwijls door mij afgeleid, maar hij vond het niet erg genoeg om mij te straffen. Hij keek meestal met opgeheven hoofd vooruit. Het was niets voor hem om naar de grond te staren en zijn schouders te krommen.
Elke keer na het gebed wilde ik weten of ik de soera’s goed had uitgesproken, maar ik kwam erachter dat ik me helemaal niets herinnerde. Ik was dan bang dat God mij ging straffen. Zijn straf bleef uit, maar elke keer als mijn ouders ruziemaakten dacht ik dat het mijn schuld was. Ik beloofde Allah plechtig om geen rare dingen te doen. Maar eenmaal aan het gebed begonnen, kon ik mijn belofte niet nakomen. Als de ruzie voorbij was, dacht ik dat ik Allah om de tuin had geleid of dat hij niet alles in de gaten had en dan lachte ik in mijn hart.
Het werd een soort kat- en muisspel. Vergiffenis vragen en even later niet gehoorzamen. Het leek alsof ik Allah alleen nodig had om de problemen tussen mijn ouders op te lossen. Alsof hij niets anders aan zijn hoofd had dan mijn ouders.
Over het hoofd van Allah gesproken: ik fantaseerde hoe groot dat zou zijn. Niet alleen zijn hoofd. Ik ging langs al zijn ledematen en organen en fantaseerde erop los; hoe groot zouden zijn handen, voeten, neus, tong, achterste en penis niet zijn? Maar elke keer als ik die fantasie kreeg, vervloekte ik de Satan die mij tot zulke fantasieën misleidde. Het werd een spagaat tussen twee onzichtbare grootheden die er toch constant waren en alles bepaalden.
Soms werd ik zelfs woedend op Allah dat hij de Satan zoveel vrijheid gaf dat die iedereen misleidde. „Als u zo groot bent als de imam en mijn ouders beweren, als u zo machtig bent waarom maakt u Satan dan niet dood? Hij is een klein nietig wezen vergeleken met u. Als u hem niet af wilt maken, neuk hem tenminste, scheur zijn anus zodat hij nooit in uw ogen durft te kijken. Zo kan hij u niet uitdagen en mensen tegen u opzetten. Hij zal zich schamen en mensen niet meer misleiden.” Ik schrok elke keer van die gedachten. Van de Satan konden die gedachten niet komen, want Satan wist dat ik hem haatte. Aan wie zou ik dan mijn fantasieën te danken hebben? Die konden ook niet van Allah zijn want hij kan zich zulke lage gedachten niet permitteren.
Ik werd gekweld door twijfels, maar ik bleef bidden en vasten en goede daden doen. Toch, tijdens het gebed was het onmogelijk aan zijn liefde te denken. En ik bleef me schuldig voelen, ik bleef denken dat Allah me verschrikkelijk zou straffen. Maar hoe zijn straf eruit zou zien wist ik niet.
Een vermoeden had ik wel. Ik hield erg van mijn vader. Hij was handelaar en moest vaak reizen om brood op de plank te brengen, ook naar gevaarlijke gebieden. Elke keer als hij weg was bad ik en smeekte ik Allah om mijn vader te beschermen. Ik beloofde hem dat ik nooit meer slechte gedachten zou hebben als hij mijn vader veilig naar huis liet terugkeren. Ik wist dat het een utopie was, maar wat kon ik anders doen. Elke keer als mijn vader terugkwam, ging ik naar buiten, keek omhoog en bedankte Allah en declameerde een aantal soera’s.
God was niet meer weg te denken uit mijn hoofd. En ook de Satan niet. Ze waren onafscheidelijk. Van beiden wilde ik af. Rust was alles wat ik zocht. Ik, klein nietig wezen, stond opeens tegenover twee onzichtbare giganten. En die twee giganten zorgden ervoor dat mijn hele familie bijna geëlimineerd werd.
Ons rustige dorpje werd van de ene dag op de andere het toneel van militair vertoon. Tanks en pantservoertuigen denderden ons dorp binnen en namen bezit van de straten. Straaljagers en helikopters schoten op alles en iedereen. In onze boomgaard werden tenten opgeslagen waar honderden gewapende militairen bivakkeerden.
Ondanks, of misschien dankzij die nieuwe situatie begon een golf van moppen de ronde te doen. Zelfs de imam van het dorp vertelde een mop. De mop van de imam ging over een jochie van een jaar of vier. Als zijn oma tijdens het bidden haar hoofd op de grond legt en haar billen omhooggaan, duwt het joch met zijn kruis tegen haar achterste. Als zijn vader hem een mep geeft en zegt: „Dat mag je nooit meer doen”, dan zegt het kind: „Ik doe jou na, je doet het met mijn moeder. Waarom mag ik dat dan niet met jouw moeder doen?” Iedereen, ook de vrouwen, lachten erom. Mensen namen het niet zo nauw met de islam. En de mop kon wel reëel zijn, gebaseerd op een echte gebeurtenis.
Later, veel later, heb ik begrepen dat die mop niets met de islam te maken had, maar een politieke grap was. De mop was gemaakt door de imam om de mensen tot verzet te stimuleren, om wraak te nemen op diegene die hun moeder pakte. De moeder was in de mop het symbool van het land en de vader was het symbool van de regering.
En er gingen mensen in het verzet, maar de situatie werd steeds ernstiger en gevaarlijker. Onze familie kon op het nippertje aan de dood ontsnappen, maar de dood zat ons op de hielen en achtervolgde ons tot we in Bagdad aankwamen.
Het bezetten van ons dorp en onze vlucht naar Bagdad zag ik als een vergelding van Allah voor mijn waanfantasieën. Ik voelde me schuldig.
In Bagdad vroeg ik hem of hij mij wilde vergeven. Daarbij beloofde ik dat ik voor hem zou blijven bidden en de Satan zou vervloeken om hem uit mijn buurt te houden, als hij mij en mijn familie verdere ellende zou besparen. Mijn gebeden werden intensiever, ik herhaalde mijn smeekbeden om de tien minuten en daarbij stuurde ik de nodige soera’s, op een fluistertoon naar boven. Maar hij hoorde me niet. Misschien hoorde hij mij wel, maar hij negeerde mijn gebeden en ging door met straffen.
Eerst werd mijn oudste broer op verschrikkelijke wijze vermoord. Een paar maanden later verdween mijn lievelingoom, de broer van mijn vader, waardoor mijn vader niet alleen de ongelukkigste man ter wereld werd, maar ook manisch depressief raakte, met alle gevolgen van dien.
In Bagdad was Allah dominanter dan in het dorp. Daar was maar één imam die op zijn dak ging staan en tot Allah riep. Als ik niet dichtbij stond kon ik hem bijna niet horen. Het was geen vervelende imam, integendeel, het was een aimabele man die grappen maakte en mensen genas. Ja, onze imam stond bekend om zijn geneeskracht. Er kwamen zieken van verschillende dorpen naar hem toe die als beloning kippen en soms geiten voor hem meebrachten. Mijn vader was goed met hem bevriend en vroeg hoe hij die mensen genas. Hij zei: „De meeste ziekten zitten tussen de oren. Als iemand ergens in gelooft en denkt dat hij zal genezen dan helpt dat vaak. Ik teken een paar lijntjes die niets betekenen op een papier en verberg dat in een stukje stof en vraag ze om dat in water te doen en dat water in drie teugen op te drinken. De meeste zieken genezen en ik krijg cadeaus.”
In Bagdad waren de imams anders: harder en veel nadrukkelijker. In de buurt waar wij woonden waren meer dan vijf moskeeën. Uit elk van die moskeeën riepen de imams via luidsprekers op tot gebed. Dat klonk niet vijf keer, maar vijf maal vijf keer per dag. En na elk gebed was een lezing van de imam te horen. Vooral de vrijdaglezing duurde behoorlijk lang. Deze imams waren niet alleen onbereikbaar voor mensen als mijn vader, ze keken hem zelfs argwanend aan. Dat vertelde hij althans. Hij zei dat sommige imams na het vrijdaggebed de gelovigen vertelden dat Koerden geen goede moslims zijn en dat het is toegestaan om tegen hen te vechten.
Er braken voor mijn familie in Bagdad magere jaren aan. De wraak van God was, zoals de Koran vaak herhaalt, verschrikkelijk. Op mijn tiende moest ik zien te overleven en de familie helpen overeind te blijven. Dat eiste zijn tol en ik werd ernstig ziek. Ik vond God toen erg kinderachtig. Hoe kon hij, als Almachtige, het zich permitteren om een familie te straffen, omdat ik als kind van die fantasieën had en me tijdens het gebed niet op zijn liefde had kunnen concentreren?
Ik wilde het aan mijn vader opbiechten. Ik wilde hem vertellen dat alles – de bezetting van ons dorp, onze vlucht naar Bagdad, de dood van mijn oudste broer en de vermissing van zijn broer – mijn schuld was. Mijn vader moest weten dat de haat van de Arabische moslims tegen Koerden mijn schuld was. Maar ik was bang en egoïstisch. Dus ik vertelde het hem niet. En in de plaats van spijt te betuigen aan de Almachtige, kwam ik in opstand.
Alhoewel, opstand is een groot woord. Ik was moe van het werken, moe van de ruzies thuis, moe van de doden in de familie en moe van het feit dat er geen uitweg was. Op een avond stond ik naar de sterren te kijken en ik zei tegen God: „Oké, je bent niet murw en je zal nooit murw worden. Wil je oorlog? Oké, dan ga ik niet bidden, ik ga ook niet vasten. Ik ga je haten. Wat kun je me aandoen? Ik heb immers niets meer te verliezen. Volgens mij besta je niet. Als je bestaat, laat dan een van die sterren extra licht geven of laat er een in beweging komen... Zie je wel. Je kunt niets. Je bent een hersenschim.”
Hierna kwam het niet meer goed tussen ons. De ellende duurde voort. Onze familie raakte verscheurd. Mijn vader wilde dat wij allemaal de wapens tegen de onderdrukker zouden opnemen en ik geloofde er niet in. Hij ging het verzet in, en ik bleef in Bagdad.
We kregen nooit de kans om onze ruzie bij te leggen, want hij kwam niet terug, nooit. Hij werd kort daarna vermoord, vierendertig jaar geleden.
Mijn jongste broer, die de aanslag op mijn vader overleefde, raakte in de war en is sinds 1982 zoek. Hij verdween aan het front in de oorlog tussen Irak en Iran. Onlangs hoorde ik dat Iran heeft meegedeeld dat het geen oorlogsgevangenen meer heeft. Dat houdt in dat ik mijn broertje nooit zal vinden.
En ik, ik vluchtte achtentwintig jaar geleden uit Bagdad. De straf van God blijft mijn schaduw. Hier in Nederland moet ik als eeuwige vluchteling blijven. Het land zelf verandert. Aan de ene kant komen er steeds meer moskeeën, boerka’s, fundamentalisten. Aan de andere kant vermeerderen de Rita’s en de Geerts zich exponentieel. Het is een kwestie van tijd tot de extremisten van de ene of de andere soort het land zullen regeren. Waar moet ik dan heen? Wanneer komt er een einde aan de straf van God? Wie kan bemiddelen tussen hem en mij?
Mijn fantasie, het feit dat tijdens het gebed mijn gedachten afdwaalden, het was toch echt onschuldig, althans niet mijn schuld. Mijn gedachten worden toch aangestuurd door de hogere machten? Ik houd nog steeds van hem. Maar kan hij mij vergeven en de mensheid redden – althans in het land waar ik woon?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.