*

 

De moeder aller vragen

Ibrahim Selman − 15/11/08, 00:00

Als exotische vluchteling hoef je op een feestje niet lang op aanspraak te wachten, is de ervaring van Ibrahim Selman. Maar die ene, eeuwig terugkerende vraag maakt de gang naar menige verjaardag tot een ware marteling . „Ik antwoordde, beleefd, maar had zichtbaar geen plezier meer in het vertellen. Ze luisterde, ook beleefd, maar hoorde me niet.”

Ik vier mijn verjaardag niet maar ga wel eens naar een feestje. Toen ik studeerde en in de jaren daarna was ik vaker op feestjes te vinden dan tegenwoordig. Hoe kleiner het gezelschap, hoe fijner, vond ik toen.

Halverwege de jaren tachtig belandde ik op de vijftigste verjaardag van een bevriende theaterdirecteur. Ik was een dertiger met een mooie baan: docent aan de universiteit van Amsterdam. De opkomst was groot. Meer dan tachtig feestvierende mensen, ze barstten uit het huis.

Zelf kende ik misschien een paar zielen. En niemand uit het gezelschap kon aan mijn voorhoofd zien dat ik docent was. Een allochtoon kan van alles zijn: vluchteling, asielzoeker, crimineel, gastarbeider of een gewone vakantieganger. Voor mij is het een schok om tussen tientallen mensen te staan die ik niet ken, die allemaal verschillend zijn maar die zich wel op hun eigen territorium bevinden. Sommige mensen worden er onzeker van, anderen vinden het een feest om zich onder onbekenden te begeven.

Normaliter ben ik nieuwsgierig naar de verhalen van mensen én ik vertel ook graag over mezelf. Vertelde graag. Vooral over mijn volk, de onderdrukte Koerden. Maar op zo’n feest ben je ineens een gevangene in een woestijn van vreemde ogen. Je voelt de zandstorm maar je ziet hem niet.

Als vluchteling, als exotische dertiger hoef je niet lang te wachten op kennismaking, althans dat was toen het geval. Een aantrekkelijke jonge vrouw sprak me aan. Ik was al een paar jaar in Nederland en had al die jaren veel verteld over mijn vlucht, de ellende van de Koerden en ik verlangde ernaar om het die avond over iets anders te hebben. Gewoon, over theater, over mijn voorstellingen, mijn docentschap, over (pessimistische) filosofie, over de binnen- en buitenlandse politiek, over schoonheid en de platheid van het Nederlandse landschap. Misschien over koken, of over voetballen.

Er zijn talloze onderwerpen waarmee je een kennismaking kunt starten. Maar ik was die avond passief en de jonge vrouw stelde zonder het te beseffen niet de juiste vragen. Natuurlijk kon ze niet vermoeden hoezeer ik vreemde ogen op mij gericht voelde. Ze kon niet weten dat de oren, de voeten, de rook en adem van die mensen me niet op mijn gemak stelden. Ze kon niet weten dat ik de behoefte had uit mijn echte woestijn te vluchten; mijn verleden. Ze kon niet weten dat de spoken van al mijn vrienden, familieleden en de slachtoffers van de chemische aanval op mijn volk om mij heen stonden. Saddam Hoessein had een paar weken eerder de Koerdische stad Hlabdja met gifgasbommen bestookt en duizenden mensen gedood. Ze kon niet weten dat ik het gif dat daar gestrooid was hier inademde. Ik oogde vriendelijk en vitaal, maar ze zag het masker niet. Ze kon ook niet weten dat ze bij de eerst vraag raak schoot. Hij was heel normaal en luidde: „Waar kom je vandaan?”

In die vraag zat meer gif dan in al die chemische bommen. Hij was als een speer die een vliegende vogel in zijn vleugel raakt. Ik werd duizelig. Met deze vraag begonnen we aan een onomkeerbaar proces. Geen van beiden wilden we in die neergaande spiraal stappen, maar we werden door een onzichtbare kracht steeds verder naar beneden gezogen. Mijn antwoord op haar eerste vraag luidde: „Ik kom uit Koerdistan”, en dat bracht haar uit haar evenwicht. Ze wist niet wat of waar Koerdistan was. Omdat ik rekening had gehouden met die reactie, omdat de meerderheid van Europeanen de Koerden nog niet kenden voegde ik er aan toe: „ik kom officieel uit Irak”. Daarmee wilde ik haar een uitweg bieden, maar zorgde alleen maar voor verwarring.

Haar ogen draaiden even een rondje in hun kassen. Ik wist dat ze geen aardrijkskundeleraar was. „Irak? Officieel?”, zei ze, op bijna kinderlijke toon. Mijn verantwoordelijkheidsgevoel, gecombineerd met de beleefdheid die ik als gast diende op te brengen, werd wakker en liet me haar vertellen waar Irak ligt, en dat Irak met het buurland Iran in oorlog was. Dat die twee landen in oorlog waren wist ze wel maar ze wist niet uit welke van die twee landen ik nou kwam, terwijl ik dat juist had verteld. Ook dat nam ik haar niet kwalijk omdat ik dat al eerder had meegemaakt, zelfs met mensen die ik al maanden kende en aan wie ik mijn verhaal ook had verteld.

Het wás natuurlijk ook moeilijk. De namen van de twee landen verschillen maar met één letter op het einde. Het waren buurlanden, beide waren in oorlog, beide hadden een dictator. De ene was toen, in de ogen van de westerlingen, een goede en bevriende dictator. De andere, de bejaarde bebaarde met tulband, was in de ogen van de wereld de slechterik. Daarnaast hadden beide dictatoren moeilijke namen: Saddam Hoessein en Ayatollah Khomeini. Genoodzaakt legde ik de situatie in het Midden-Oosten uit aan iemand die eigenlijk helemaal niet geïnteresseerd was. Ze was, zo schatte ik het in, naar de verjaardag gekomen voor een leuke avond. Misschien zag ze een one night stand in mij, een exotische vlucht, een sappige vrucht. Maar ik was een artisjok die nog niet rijp was, ruw en stekelig.

We voelden beiden hoe diepe kloof van antipathie tussen ons in schoof, een kracht die ons uit elkaar dreef. Ik antwoordde, beleefd, op haar vragen maar had zichtbaar geen plezier meer in het vertellen. Ze luisterde, ook beleefd, maar hoorde me niet. Onze woorden waren hol, onze ogen zonder glans, in onze zielen druppelde melancholie. We wilden een uitweg. We waren na een uur uitgeput alsof we net drie keer noodgedwongen de marathon hadden gelopen. Zij, weer zij, nam het initiatief om een einde te maken aan deze, voor anderen onzichtbare marteling. Ze vroeg of ik nog wijn wilde en liep weg. Op dat moment, exáct op het moment dat zij van mij wegdraaide om twee glazen wijn te gaan halen, diende zich een andere vrouw aan.

„Hoi”, zei ze.

In die ene seconde probeerde ik net de zware berg van mijn verleden op de grond te leggen, een uitweg te vinden en te vluchten. Maar het lukte niet. De nieuwe vrouw die hoi tegen me zei gaf me een hand en stelde zich voor. Ik zei ook mijn naam. Mijn verleden, dat nog geen seconde op de grond lag, sprong weer op mijn schouders en drong tot in mijn maag naar binnen. Ik keek in de groenblauwe ogen van de vrouw die mijn rechterhand nog in haar zachte hand hield. Ik smeekte met mijn ogen dat ze de volgende vraag, de martelvraag niet zou stellen. Maar ze hield die smekende blik voor iets anders en stelde hem toch, de moeder van alle vragen.

„Waar kom je vandaan?”

Mijn ogen meden de hare. Ik zag haar voorgangster even verderop twee wijnglazen inschenken. Ik pakte de arm van de vrouw die voor me stond en beet haar toe: „Ziet u die dame daar, met die zwarte jurk en die twee wijnglazen?”

„Ja”, zei ze zachtjes. Het klonk als alsof ze gedwongen werd haar eigen doodvonnis te bevestigen. „Die vrouw weet alles van mij. Gaat u het haar maar vragen.” En ik draaide me om, baande een weg door de ogen, de oren, door de spoken van mijn verleden en bereikte met moeite de buitendeur. De ijskoude wind voelde als een frisse bries. De spoken vormden een kring, dansten, zongen in het Koerdisch en staken hun tongen naar me uit. Op dat moment, in een flits van woede, wilde ik ze zien branden. Ik schaamde me voor mijn gedachten, liep door de straten van Amsterdam en besloot nooit meer naar verjaardagen te gaan.

Maar niets is veranderlijk dan de mens. Mijn belofte heeft ruim tien jaar stand gehouden. Toen ging ik weer naar kleine verjaardagen van mensen die me kenden, die niet hoefden te vragen waar ik vandaan kom.

In juni van dit jaar trad ik op met gedichten voor een bescheiden publiek. De andere dichter was Simon Vinkenoog. Zijn vrouw nodigde me na afloop uit voor zijn tachtigste verjaardag in juli, in de openbare bibliotheek in Amsterdam. Ik had zes weken de tijd om te bedenken wat ik met de schizofreen zou doen als ik besloot toch te gaan.

En ik ging. Bij de lift van de bibliotheek wist ik al dat ik de steppewolf was. Een die de dood altijd bij zich draagt. En bij de kantine aangekomen was de woestijn weer daar. Natuurlijk zoek je bekende gezichten en die waren er ook. Gelukkig. De moeder aller vragen werd niet gesteld. Vóór de festiviteiten in het theater was ik niet passief, ik maakte kennis en vergaarde informatie. Ik was wel op mijn hoede om niet de vragen te stellen die van een mens een wolf maken.

In de theaterzaal zat ik naast een jonge vrouw van in de dertig met donker krullend haar. Toen ik haar naam hoorde gebeurde het. Mij ontglipte spontaan het zinnetje: „Waar kom je vandaan?” In haar ogen zag ik mijn reactie op al die keren dat de vraag mij de afgelopen kwarteeuw was gesteld. Dan weet je dat elke poging tot herstel zal mislukken. Het is beter om dan meteen te stoppen met praten. Gelukkig begonnen de festiviteiten op het podium al snel.

Halverwege de avond fluisterde de dame naast me, met de beleefdheid van het kind van een halve gastarbeider; „Ik ga dáár zitten want dan hoor ik het beter.” Ik wist de echte reden. Ik stonk naar een vieze vraag die normaliter erg beschaafd klinkt. Maar ja, ik had me niet gerealiseerd dat ik zo geruisloos geïntegreerd was. Ik kon de activiteiten nauwelijks meer volgen, werd gehinderd door mijn spoken. Tientallen steppewolven zaten naast me en in me.

Al meer dan een kwarteeuw probeer ik er achter te komen waarom ik het vervelend vind als mensen mij naar mijn afkomst vragen, terwijl ik er boeken mee vul en er ellenlange artikelen over schrijf. Is het een diep verlangen om als gelijke behandeld te worden en niet alleen in die allochtone kooi te moeten zitten, hoe ruim en luxueus ze die ook maken? Ben ik een claustrofoob? Is elke ontheemde mens die de grenzen van zijn (innerlijke) land achter zich heeft gelaten geen claustrofoob? Ben ik een borderliner? Of heb ik, net als elke vreemdeling, iets te verbergen, heb ik ergens over gelogen zoals Ayaan Hirsi Ali dat deed?

Bij de vraag ’waar kom je vandaan’ schrikt er in ieder geval iets wakker in mij, iets van de onherstelbare schade die het vertrek uit mijn land heeft veroorzaakt, en waarmee alle wezens uit mijn verleden tot wolven worden die aan mijn ziel knagen.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />