*

 

Het christelijk geloof is een goudmijntje

door Elma Drayer − 15/08/05, 11:10

Ze studeerden ooit theologie, maar wat hebben zij eraan in hun huidige bestaan, vlak bij of ver van de kansel? Vandaag: Frank Verborg (1956), organisatieadviseur.

’Nee, ik heb geen aanvechting meer om in de kerk te werken. Het klimaat is niet bepaald uitnodigend, vind ik. De kerk staat onvoldoende open voor de verworvenheden van de moderne samenleving. Is te angstig. Zelf denk ik dat het christelijk geloof een goudmijntje is. Waarom dan de boeman spelen? Je hoeft het goud maar op je hand te leggen en iedereen komt erop af.

Ik was een vroom jongetje, dat ben ik waarschijnlijk nog steeds. Ging graag naar de kerk, was acoliet. Op de lagere school wilde ik priester worden. De meeste katholieke jongetjes waren gefascineerd door de eucharistie. Ik was juist ontzettend geboeid door de preek, de kracht van het woord. Wij hadden een pastoor die erg goed kon preken. Die op zoek was naar de kern van de dingen. Daar was ik óók naar op zoek: de essentie. Dat loopt, zou je kunnen zeggen, als een rode draad door mijn leven.

Mijn priesterwens ging op de middelbare school verloren. Het celibaat stond in de weg. Later ben ik toch theologie gaan studeren. Vooral de filosofische kant trok me aan. Levinas en Heidegger werden grote inspiratiebronnen. Veel theologiestudenten maakten een geloofscrisis door. Heb ik nooit gehad. Bij mij gaan veranderingen geleidelijk. Op de universiteit heb ik geleerd de godsdienst van mijn jeugd bij de tijd te brengen. Op een moderne manier de oude beelden en waarheden te beleven. Daar heb ik de waarde van traditie pas goed begrepen.

Aanvankelijk wilde ik pastoraal werker worden. Maar ik besefte gaandeweg dat ik niet in een kerk wilde werken waarin ik geen bisschop kon worden. Niet dat ik dat ambieerde, maar het onderscheid tussen gewijde en niet-gewijde geestelijken beviel me steeds minder. Ik wilde geen tweede garnituur zijn. Dat bleek een gelukkige gedachte. Medestudenten die wél pastoraal werker werden, liepen daar inderdaad tegenaan.

Bijna was ik aangenomen als volwassenencatecheet. Op het allerlaatste moment hield de bisschop mijn benoeming tegen. Omdat ik samenwoonde met mijn hervormde vriendin. Ik weet nog hoe woedend ik was, hoe teleurgesteld. Jammer dat kerkmensen die het voor het zeggen hebben, zich op zulke bijkomstigheden profileren. En niet op de essentie.

Uiteindelijk kwam ik bij een adviesbureau terecht. Ik begeleid leidinggevenden als hun organisatie moet veranderen. Nee, ik zou niet zeggen dat ik nu toch een soort pastor ben. Daar hoort voor mij verkondiging bij. Advieswerk is wel een vorm van hulpverlening.

Mijn bureau schrijft geen dikke rapporten. Wij gaan met de opdrachtgever op de bok zitten. Ik heb daarbij veel aan mijn studie. Als je bijbelexegese doet, moet je je openstellen voor het onbekende. Dat doe je bij een organisatie ook. In mijn studie heb ik geleerd vragen te stellen, te luisteren met een derde oor. Ik vraag me altijd af: wat is de geest, de spirit van dit bedrijf? Die drukt zich uit in heel concrete zaken.

Het is een antroposofisch adviesbureau. Of ik antroposoof ben? Ik zeg altijd: ik ben al katholiek. Ik bid, ga soms naar de kerk. Aan mijn kinderen merk ik dat ze moeite hebben om ernaartoe te gaan. De liturgie spreekt ze niet aan. Ze vervelen zich. Ik verveelde mij nooit. Mijn zoon kan computeren en televisie kijken tegelijk. Dan is het moeilijk om in de kerk stil te zitten, te mediteren, en altijd maar hetzelfde te horen. Dat heb ik zelf nooit gehad. De vraag is wel: hoe draag je dan die traditie over?

Traditie is geen korset, maar ook geen wegwerpartikel. Traditie is het huis waarin je woont, van waaruit je op reis gaat, voor korte of langere tijd, waarnaar je steeds terugkeert. Dat huis bestaat uit verhalen, flarden tekst, rituelen, muziek. Door mijn protestantse schoonfamilie heb ik bijvoorbeeld de traditie van psalm 103 leren kennen, de zondagspsalm. Deze week, mijn zoon ging over naar de derde, de jongste nam afscheid van de basisschool, mijn neefje had een blindedarmoperatie gehad die goed was afgelopen. Ik loop over straat en ik denk: Loof de Heer, mijn ziel, en vergeet niet een van zijn weldaden. Dát is de waarde van traditie.”

mailIcon print |