*

 

Er is nooit een Duits ultimatum aan Trouw gesteld

door Ben van Kaam − 15/08/05, 12:07

Opvallend is dat niemand uit de Trouw-top zich iets herinnert van een concreet SD-aanbod (Gottschalk) waarop in de dagen voorafgaande aan de 21ste juli zou zijn gereageerd. Iedereen heeft het over die bewogen bijeenkomst op de ochtend van 9 augustus, maar geen sporen zijn te vinden van een soortgelijk beraad drie weken eerder. Wel dwingt het stijgende aantal verzetsslachtoffers tot een verhevigde bezinning op wat men aan het doen is. Daarvan getuigt het artikel van medio juli 1944 'Onze vrouwen achter de frontlinie'. De schrijfster wekt de indruk op de hoogte te zijn van de spanningen die Gottschalk via de bezoekende vrouwen oproept met zijn boodschap dat als Trouw zou stoppen, het leven van de gevangenen zou worden gespaard.

'Ginds op de slagvelden worden de jonge levens met duizenden en tienduizenden weggemaaid. Ook om hen wordt getreurd door die hen liefhadden, ook door hun dood wordt veel levensgeluk vernietigd. Met het bloed van deze jongens die op vreemden bodem vallen, wordt mede onze vrijheid gekocht. Wij mogen ons niet beklagen, als het bloed van onze jongens daarvoor mede geplengd wordt.'

De Trouw-archieven bevatten een helaas ongedateerd rondschrijven uit die dagen: 'Is doorgaan verantwoord?'

'In onze kring is onder ogen gezien de vraag of het wenschelijk en geoorloofd is, om door overeenkomst met S.D. de uitgave van ons blad te staken, waartegenover dan zou staan, dat degenen, die wegens met ons blad verband houdende activiteit gevangen genomen zijn, niet zouden worden berecht, doch in Duitsche bewaring zouden blijven. Wij laten in dit rondschrijven in het midden, de vraag of zulk een overeenkomst feitelijk mogelijk is, wij spreken alleen over de vraag of zij, stel zij ware mogelijk, behoort te worden aanvaard.'

Wanneer in de Trouw-groep het rondschrijven op papier is gezet is niet meer te achterhalen. Tot dusver is vaak aangenomen dat het stuk ontstond na de dramatische vergadering op 9 augustus 1944, maar over een ultimatum of doodvonnissen wordt in deze beschouwing niets gezegd. Peter Bak opperde dat het eerder geschreven moet zijn. Aannemelijk is in ieder geval dat het geschreven is toen Gottschalk langs enige weg het idee van onderhandelen toespeelde naar de Trouw-leiding.

Mag er met de SD worden onderhandeld?

'De vraag heeft ons ernstig en langdurig beziggehouden', meldt het rondschrijven. Het antwoord van Trouw tenslotte is ontkennend. 'Wie tegen de capitulatie der gewetens strijdt, mag zelf nooit geestelijk capituleren.'

Was op het niveau Rauter/Seyss-Inquart in feite de kous al af op 6 juli, omstreeks 21 juli wordt door Harders ook een streep gezet onder het onderhandelingsinitiatief vanuit de Dienststelle Den Bosch. Maar blijkens een verhoor op 25 november 1946 in Wierden van Trouw-medewerker G. H. Morsink (Henk de Bakker) onderneemt Eik Speelman nog een laatste poging. Morsink verklaart:

'In begin augustus 1944, dag en datum kan ik mij niet meer herinneren, terwijl ik mij bevond te Hoogeveen, alwaar ik op dat tijdstip was ondergedoken, sprak ik genoemde Eik Speelman. Ik keek natuurlijk raar op dat hij zich op vrije voeten bevond. Hoe of hij eigenlijk los was gekomen kon ik niet recht van hem gewaar worden, doch de reden waarom Speelman mij opzocht was de volgende: Gottschalk had hem - Speelman - medegedeeld dat het bestuur van Trouw het lot van de 24 ter dood veroordeelden in handen had. Wanneer het bestuur van Trouw op 9 augustus 1944 voor tien uur des morgens aan Gottschalk zou hebben medegedeeld dat Trouw in geen enkele vorm meer zou verschijnen en absoluut geen illegaal werk meer verrichtte, de executie niet zou worden voltrokken. Omdat hier het leven van vierentwintig menschen op het spel stond, heb ik mij hierop terstond naar Amsterdam begeven en mocht het mij gelukken de kopstukken van Trouw bij elkaar te krijgen.'

Dat was een van de aanleidingen voor de dramatische bijeenkomst op de ochtend van 9 augustus, waarin de Trouw-top denkt dat er een ultimatum ligt. Deze indruk wordt ook gewekt door de informatie van een of meer advocaten, die door familieleden van Trouw-gevangenen zijn ingeschakeld. Via dat kanaal wordt alvast zelfs een in het Duits gestelde verklaring overlegd die Wim Speelman zou moeten tekenen en - volgens een 3 augustus geschreven briefje van de Rotterdamse advocaat Groenenboom - voor 5 uur 's middags in het bezit zou moeten zijn van Sachbearbeiter Gottschalk in 's-Hertogenbosch. Met name deze mededeling maakt het hoogst onwaarschijnlijk dat we hier te maken hebben met een Duits initiatief. Gottschalks rol was al lang uitgespeeld. De Trouw-zaak wordt blijkens de stukken aan Duitse kant al lang op aanzienlijk hoger niveau afgedaan en Gottschalk wist dat. Hij kon alleen nog valse verwachtingen wekken.

Wat op 9 augustus 1944 is aangezien voor een Duits ultimatum lijkt bij nadere beschouwing dan ook meer op een wanhoopsactie van de zijde van advocaten, die niet konden weten hoe de zaken aan Duitse kant werkelijk lagen. Pas op 8 augustus krijgt Groenenboom van Gottschalk te horen dat de hoofdleiding van de zaak berust bij Schöngarth in Den Haag. Er moet toen alsnog op hoog niveau getracht zijn iets te bereiken, maar gegevens daarover vonden we niet. Het is trouwens zeer de vraag of het iets zou hebben uitgehaald. Het blijkt nu dat al vanaf 6 juli 1944 de dienst in de zaak-Trouw werd uitgemaakt door Rauter.

Enkele (voorlopige) conclusies geven het volgende beeld:

- Er is aan Duitse kant op verschillende niveaus en door verschillende instanties aan de zaak-Trouw gewerkt zonder dat men over en weer alles van elkaar wist.

- Voor zover in de eerste weken van juli 1944 getracht is te onderhandelen, gebeurde dat op aandrang van een van de gevangenen en van familieleden van gevangenen. Aan Duitse kant voltrok zich het contact op het lagere niveau van Sachbearbeiter Gottschalk in Den Bosch.

- De Trouw-zaak was voor de hogere Duitse autoriteiten niet slechts een illegale perszaak. De opvallend hardere behandeling was een gevolg van de visie van Rauter en Seyss-Inquart dat Trouw deel uitmaakte van een organisatie gericht op gewapend verzet.

- Rauter wilde (zijns inziens waarschuwende) doodvonnissen. Dat hij geweten heeft van pogingen begin juli om met Trouw te onderhandelen, lijkt niet waarschijnlijk.

- Wie wel geweten heeft van deze pogingen was de 'aanklager' op zaterdag 5 augustus in het Trouw-proces. Dat was de SS'er Deppner - de eerste commandant van het doorgangskamp Westerbork, die na de Trouw-zaak bij het naderen van de geallieerde troepen dagelijks zonder enige vorm van proces gevangenen liet doodschieten in kamp Vught. Deze Deppner wees begin juli het denkbeeld af om met Trouw te onderhandelen.

- Het lot van de Trouw-groep stond in feite al vast toen Seyss-Inquart na ruim een maand touwtrekken tussen diverse Duitse instanties op 7 juli 1944 besliste dat het een zaak zou worden voor het Polizeistandgericht.

- Als Rauter geweten heeft van pogingen (van Sachbearbeiter Gottschalk) om na te gaan of er inderdaad met Trouw te onderhandelen viel over stopzetting van het blad, heeft hij dubbelspel gespeeld. Zijn kijk op de aard van de Trouw-organisatie maakt het waarschijnlijker dat hij daarvan onkundig was.

- Rauter hechtte er zozeer aan dat de Trouw-groep door een Polizeistandgericht zou worden berecht dat hij, toen Hitler op 6 juli een streep haalde door alle vormen van berechting van verzetsmensen, speciaal voor een zaak tegen de Trouw-groep alsnog een uitzonderingstoestemming lospeuterde bij Himmler in Berlijn.

- Het enige wat het leven van de gevangenen toen nog had kunnen redden was het niet bevestigen van de beoogde doodvonnissen door Rauter of gratieverlening door Seyss-Inquart.

- Er is in feite nooit een Duits ultimatum aan Trouw gesteld. Wel is sprake geweest van wanhopige pogingen van familieleden om met onderhandelingspogingen de levens te redden van de gevangenen. Gehoopt werd dat Trouw als een perszaak zou worden behandeld. Uit de archieven blijkt dat na 7 juli 1944 die kans was vervlogen.

VOETNOTEN:

(1): 'Opdat wij niet vergeten'. Gedenkboek over de bijdrage van de Geref. Kerken aan het verzet, samengesteld door Th. Delleman, Kampen 1949, pag. 356.

(2): E. van Ruller in gedenkboek Geref. Kerken 'Opdat wij niet vergeten', 1949, pag. 355. Lydia E. Winkel: De Ondergrondse Pers, 1940-1945. RIOD 1954, pag. 250. Hille de Vries: Een ophitsend geschrift, 1968, pag 55.# Ben van Kaam: Het Ultimatum, Trouw 27 jan. 1968. Peter Bak: Harde koppen, rechte lijnen, 1993, pag. 43.

(3): Harders verklaarde: 'In juni ben ik bij de Befehlshaber der Sicherheitspolizei in Den Haag gekomen als Commissaris van de Afdeling IV. De leider van die Afdeling was Deppner. In die tijd kwamen er bij die afdeling verschillende artikelen binnen over de illegale werkzaamheden onder de naam Trouw. Die berichten kwamen dan van verschillende Dienststellen in Nederland. Ik behandelde zelf de binnengekomen stukken. Die zaak Trouw liet zich tegenover ons nogal ernstig aanzien.'

(4): H. van Riessen in Het Grote Gebod I, pag. 651.

(5): In een bij Oorlogsdocumentatie berustend verslag van een drukker wordt gezegd: 'Zij werden niet beschouwd als lid van de organisatie, maar zouden in zakelijke relatie gestaan hebben met Trouw waarvoor geen doodstraf geeist werd. Over hen is nooit een uitspraak gedaan.'

(6): L. de Jong: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 8, pag. 342.

(7): Gottschalk in verhoor op 6 september 1946: 'Omstreeks juni hoorde ik dat de zaak-Trouw voor het standgericht zou komen. Ik vermoedde dat een groot deel van de gearresteerden de doodstraf zou bekomen. Ik besprak dit met Speelman en anderen. Zij verzochten mij wat ten gunste van hen te doen. Ik ging naar Harders terwijl Hardegen bij Harders in de kamer was. Ik zeide dat ik met de jongens van Trouw gesproken had, mij een voorstel hadden gedaan om het drukken van Trouw te doen stopzetten, mits dit vermindering van straf zou geven. . . enz...

mailIcon print |