In de verkiezingsprogramma’s wordt veel geld bezuinigd op de overheid – en niet voor het eerst. Het denken over de taken van de overheid begint langzaam te verschuiven. Maar er is meer nodig dan één verkiezingsprogramma om dat andere denken ook echt in de praktijk te brengen, zegt bestuurskundige Paul Frissen.
De PvdA is traditioneel de partij die het meeste heil verwacht van overheidsingrijpen. Voor een sociaal-democraat staat de overheid gelijk aan de garantie dat ongelijkheid kan worden bestreden. Des te opvallender dat juist deze partij in het verkiezingsprogramma het diepst wil snijden in de overheidorganisatie. In totaal wil de partij 3,6 miljard euro vrijmaken door te snijden in het aantal ambtenaren en bestuurders bij de overheid, 2,2 miljard bij de centrale overheid en 1,4 miljard bij gemeenten, provincies en door het opheffen van de waterschappen.
CDA en VVD zijn bescheidener, maar ook volgens de twee andere grote politieke partijen kan het allemaal een stuk minder. Het tweede kabinet-Balkenende hamerde al op de eigen verantwoordelijkheid van de burger en de coalitiegenoten gaan op diezelfde voet verder in hun programma’s.
Het CDA denkt zo 2,5 miljard euro vrij te spelen. De VVD, de partij die traditioneel het minste heil van de overheid verwacht, is opvallend genoeg het meest bescheiden van de drie. De liberalen komen niet verder dan 1,75 miljard.
Tussen de grote drie ontstaat communis opinio. De overheid kon al niet alles voor de burger regelen, maar de laatste jaren groeit de overtuiging dat overheidsingrijpen vaak meer schade aanricht dan dat er maatschappelijke problemen worden opgelost. „Zoveel mensen, zoveel wensen. Bij de gemeenten, in de zorg, op straat en in het onderwijs. Dat is allemaal niet vanuit Den Haag te voorzien of vast te stellen. Goede organisaties geven klanten de ruimte eigen keuzes te maken.” „Patiënten bijvoorbeeld, die hun kennis in kunnen brengen. Daar wordt iedereen beter van”, constateert het verkiezingsprogramma van de PvdA.
Bij CDA en VVD is het niet anders. De burger is ook volgens die twee partijen een geëmancipeerd individu, dat heel wel in staat is zijn eigen keuzes te maken en verantwoordelijkheid te nemen voor zijn eigen leven, voor zijn gezin en voor zijn leefomgeving.
Wouter Bos, de politiek leider van de PvdA, is al een tijdje bezig het er bij zijn troepen in te hameren: dat een andere visie op de taken van de overheid noodzakelijk is. In zijn grote rede, anderhalf jaar geleden op het partijcongres van de PvdA in Delft, sprak hij woorden die voor menig partijgenoot klonken als vloeken in de kerk. Ook sociaal-democraten moeten eraan wennen, aldus Bos, dat ongelijkheid tussen mensen niet per se een kwaad is. „Er wordt te veel uitgegaan van een gemiddelde burger en te weinig rekening gehouden met de rijke schakering aan mensen en wensen. ,,Ons antwoord zal niet (langer) moeten zijn de regels nog verder te verfijnen. We moeten nu eens niet komen met de zoveelste door de PvdA geïnspireerde structuurwijziging over de hoofden van de professionals heen, maar met een strak pleidooi voor deregulering, voor afschaffing van bureaucratie en voor meer ruimte aan mensen.”
Om de te verwachten kritiek uit eigen gelederen te ontzenuwen, voegde Bos er destijds aan toe dat de PvdA niet moet schrikken wanneer als gevolg van zo’n benadering op de ene plek andere keuzes worden gemaakt dan op de andere. ,,De één noemt dat ongelijkheid , ik noem het maatwerk. Wie vertrouwen wil, moet vertrouwen geven.”
De Tilburgse hoogleraar bestuurskunde en decaan van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur Paul Frissen vindt het opmerkelijk en verheugend dat nu ook de PvdA zegt verschillen tussen burgers te willen accepteren. Maar hij relativeert dat wel. „In de grote lijnen van het verkiezingsprogramma tref ik dat niet aan. Dat programma is toch doordrenkt met, wat ik dan maar noem, het klassieke sociaal-democratisch aanbod-denken. Er moet gratis openbaar vervoer komen voor ouderen, de volkshuisvesting kan alleen met overheidsingrijpen verbeterd worden en ga maar door. Het is allemaal begrijpelijk, maar het geeft tegelijkertijd aan dat het denken over een andere overheid op de wensen van de partij nog weinig invloed heeft.”
Frissen is mede-auteur van een advies van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling aan het kabinet uit maart, waarin wordt geconstateerd dat een andere overheid en het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers beperkt is gebleven tot één aspect. De burger wordt daarin louter gezien als consument, die via financiële prikkels tot handelen aan te zetten is. De burger mag kiezen, maar niet zelf beslissen. Voor de verkiezingsprogramma’s van de drie grote partijen geldt volgens Frissen hetzelfde. „Punt één in die programma’s is het inkrimpen van de overheid, de punten twee tot en met 19 sommen vervolgens op waar de overheid allemaal meer aan moet gaan doen.”
Frissen denkt dat politieke partijen in traditionele denkpatronen gevangenzitten. De burger wordt, ondanks alle lippendienst, uiteindelijk niet gezien als vrij. Partijen kunnen niet accepteren dat een burger soms dingen doet of prefereert die de politiek niet wenselijk vindt. „Neem een ander voorbeeld bij de PvdA. Die partij wil de bewoners van achterstandswijken zelf budget geven om de wijk naar eigen inzicht op te knappen. Ik ben daar blij én somber over. Het voorstel zit vol goede bedoelingen, maar uiteindelijk valt te vrezen dat de zaak toch weer wordt dichtgemetseld met voorwaarden en andere regeltjes. Zo is het ook met het persoonsgebonden budget gegaan”, meent Frissen.
Hij zegt dat het advies op zich wel geland is bij politici, maar uiteindelijk is de neiging bij sociaal-democraten, maar ook bij liberalen en christen-democraten, te groot om zich met dingen te bemoeien. Frissen: „Voor de politiek is het moeilijker zich niet met zaken te bemoeien en ontwikkelingen hun gang te laten gaan, dan in te grijpen. De invloed van het calvinisme is in alle Nederlandse politieke stromingen nog groot. En er is ook een nog altijd diepgeworteld paternalisme.”
Een jaar geleden stelde de PvdA dat een kwart van de beleidsambtenaren op het ministerie van onderwijs diende te verdwijnen. Pas dan zou er echt een einde komen aan de beklemmende regelzucht. De hoogste ambtenaar van het ministerie, secretaris-generaal Van der Steenhoven, reageerde als door een adder gebeten. Het zijn niet ambtenaren die regeltjes bedenken, maar politici, hield hij zijn ambtenaren voor. Frissen maakt zich er vrolijk over, dat het altijd Onderwijs is dat de gebeten hond is. „Terwijl dat het op één na kleinste ministerie is. Het is ook een volkomen verkeerd debat. De overheid in Nederland moet niet kleiner; we hebben niet eens zo’n grote overheid. Het moet vooral anders. Daarvoor zitten in deze verkiezingsprogramma’s heel weinig aanknopingspunten.”
Zeker de VVD en de PvdA zijn in opvattingen en zelfbeeld nog altijd verknoopt met de klassieke verzorgingsstaat, vindt Frissen. „Bij de VVD vinden ze dan wel dat de overheid minder taken heeft, maar als er in hun ogen iets moet gebeuren vinden ook liberalen, net als sociaal-democraten, dat vooral de staat het moet doen. Bij het CDA geldt dat nog het minste. Die partij gelooft traditioneel nog het meest in het initiatief van individuen en maatschappelijke organisaties. Maar ook voor hen geldt nog te veel dat het beleid gericht is op uitkomsten die men graag wil, in plaats van ontwikkelingen hun gang te laten gaan en het beleid te richten op de ongewenste effecten van die ontwikkelingen. Nog steeds staat de maakbaarheid van de samenleving bij alle partijen centraal.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.