*

 

Job Cohen / Religie heeft PvdA moreel anker te bieden

door Job Cohen − 11/09/06, 19:24

De sociaal-democraten moeten naar religie durven kijken als inspiratiebron voor de politiek. Het is tijd voor een nieuwe ’Doorbraak’.

De vraag hoe men zich tot religie als politieke factor verhoudt, is een vraag die iedere politieke beweging, en dus ook de PvdA zich stellen moet om in de 21ste eeuw aan geloofwaardige politiek te kunnen doen. Of anders geformuleerd: als religie in de samenleving van de 21ste eeuw een politieke factor is, dan moet de sociaal-democratie een relatie met de religie aangaan. Dat betekent niet alleen naar buiten kijken, naar de religies en de gelovigen, maar ook een proces van bezinning op gang brengen over de morele grondslagen en over de doelstellingen van de sociaal-democratie zelf: wat wil je bereiken en hoe en met wie wil je dat bereiken. Wat goed is, wat minder goed of zelfs kwaad is, en waarom – een morele afweging dus.

Ik doe dat met enige schroom. Ik ben weliswaar sinds mijn achttiende sociaal-democraat, maar over religie weet ik als seculiere jood vrijwel niets. Ik ben geen Banning, de vrijzinnig hervormde dominee en oprichter van de PvdA, die vanuit een diep doorleefd christendom én diep beleefd socialisme in 1946 de zogenaamde doorbraakgedachte formuleerde. Ik ben een pragmatische, sociaal-democratische politicus die door zijn werk als burgemeester van de grootste stad van Nederland tot de conclusie is gekomen dat religie in de 21ste eeuw een politieke factor van formaat is.

Een hele generatie partijgenoten is, denk ik, min of meer seculier in de PvdA groot geworden. Velen van ons meenden tot voor kort of menen nog steeds dat het seculiere leven de toekomst is, en hadden nooit kunnen geloven in een comeback van de religie. Nu dat in vele opzichten wèl het geval is, hebben wij seculieren het vaak moeilijk om onze houding te bepalen.

Waarom dan toch die hernieuwde belangstelling, óók binnen de PvdA voor het thema religie? Want ook dat is een realiteit: de fascinatie met religie binnen onze partij. Wat zegt dit? Dat is weer veel moeilijker te zeggen. Het zou kunnen duiden op een tekort aan moraal en zingeving binnen de nauwe parameters van de pragmatische politiek, het eenzijdige economische paradigma, en het dogma van het welbegrepen eigenbelang. Dat tekort wordt niet opgeheven door onze welvaart. Die maakt niet tevreden of gelukkig. We lijken soms wel een beetje op verwende kinderen, die alles wat hen omringt maar heel gewoon vinden en klagen als het tegenzit. Die verwendheid leidt tot zelfgenoegzaamheid, en daarmee verliezen we ons vermogen om te strijden voor de zaken waar we voor staan. Hoe het tij te keren?

Kan het zijn dat er sprake is van een moreel tekort dat niet wordt aangevuld vanuit een hernieuwde bezinning op de bronnen van de sociaal-democratie – die slechts weinigen nog kennen? Er is weinig discussie in onze partij over de vraag welke betekenis aan belangrijke sociaal-democratische begrippen als solidariteit, gelijkheid, gerechtigheid, naastenliefde en verantwoordelijkheid in deze postmoderne tijd gegeven moet worden.

Daarom is het niet vreemd dat er naar de religies wordt gekeken. Die hebben door de eeuwen heen de behoefte aan zingeving van de mensheid gevoed. Tegelijkertijd moeten we ons realiseren dat aanhangers van het christendom, de islam en andere godsdiensten een morele agenda hebben die vaak haaks staat op een aantal min of meer geaccepteerde praktijken in onze samenleving; denk aan opvattingen over alcohol- en drugsgebruik, echtscheiding, pornografie, fraude, de commercialisering van het bestaan, menselijke relaties. Dat kan ons een spiegel voorhouden, het kan ook een appèl uitoefenen op mensen die de existentiële leegte van de seculiere samenleving willen ontstijgen. Wat dat laatste betreft: de werkelijke dynamische kracht van religie kan alleen maar worden begrepen als we inzien dat religies aan hun gelovigen een perspectief bieden op een rechtvaardige of rechtvaardigere samenleving. Wanneer samenlevingen dat perspectief niet op andere wijze meer kunnen bieden, ligt het voor de hand dat religies terrein winnen. En wat de spiegel betreft: zijn wij bereid om kritisch naar onze eigen samenleving te kijken en zijn wij bereid om die kritiekpunten werkelijk ter discussie te stellen? Ik denk dat wij deze vraag, in de beste traditie van onze beweging, volmondig met ‘ja’ zouden moeten beantwoorden. De zoektocht naar een rechtvaardige samenleving zou juist het punt kunnen zijn waarop gelovigen en seculieren elkaar de hand kunnen reiken.

Je zou in dat perspectief kunnen spreken van een omgekeerde doorbraak. Tóen, net na de oorlog moesten christenen worden overtuigd dat ze mèt de PvdA, dwars door de zuilen heen, konden samenwerken aan een rechtvaardige en sociale samenleving. Nu zouden seculieren binnen de partij, veruit in de meerderheid, ervan kunnen worden overtuigd dat je voor een morele herijking òòk te rade kunt gaan bij die religies. Dat daarbij een samenwerking met gelovigen van verschillende denominaties kan lonen als het gaat om de realisering van de doeleinden van de sociaal-democratie en om de vraagstukken het hoofd te kunnen bieden waar we met zijn allen voor staan. En dat de inspiratie die van een geloof uitgaat een bron kan zijn bij het verwezenlijken van sociaal-democratische doeleinden, zonder dat dat betekent dat je zelf gelovig bent of wordt. Het alternatief is verschraling en het missen van de maatschappelijke aansluiting.

Hoe ziet de PvdA eruit als een partij waar ruimte is voor gelovigen van verschillende pluimage en hun geloof? Er is zoals Banning en het Beginselprogram van de PvdA uit 1947 al constateerden een ‘innig verband’ tussen levensovertuiging en politiek inzicht en de Partij waardeert het ook als dit in de arbeid voor de Partij tot uiting komt - dit geldt voor mij nog onveranderd. Maar dat wil, zoals de Doorbraak-beweging wist, allerminst zeggen dat er een rechtstreekse lijn loopt van levensbeschouwing naar politiek programma. Hier geldt om meerdere redenen: heb oog voor de banden tussen geloof en politiek, maar verwar geloof en politiek niet.

Aan de aan Banning ontleende doorbraakprincipes, zou ik de volgende willen toevoegen: Allereerst ruimte voor een positieve invulling van de grondwettelijke vrijheid van godsdienst. Dus godsdienstvrijheid niet alleen gedefinieerd als het recht om niet lastig te worden gevallen door de overheid of door andere goed- dan wel kwaadwillenden, maar ook als het recht dat een religie zich mag en kan ontplooien in het publieke domein.

Ten tweede: ruimte om van elkaar te mogen verschillen is in een pluralistische samenleving een noodzaak. Deze ruimte moet worden gekoppeld aan een opvoeding waarin respect voor deze pluraliteit wordt bijgebracht.

Ten derde: vrijheid om het eigen leven gestalte te geven is één van de grote verworvenheden van onze samenleving. Deze ruimte impliceert zowel de vrijheid om als ongelovige door het leven te gaan, als de vrijheid om als religieus in het leven te staan. De overheid moet dat respecteren en burgers bescherming bieden als dat nodig is.

Job Cohen is burgemeester van Amsterdam. Dit is een ingekorte versie van een artikel dat is verschenen in het jongste nummer van Socialisme & Democratie.

mailIcon print |