In 1920 bestelde Mrs. Cecile Steele uit Maryland vijftig kuikens. Dacht ze. Want ze kreeg er vijfhonderd. Een foutje, met onverwacht grote gevolgen: Mrs. Steele geldt nu als de grondlegger van de bioindustrie.
Want de industriële productie van vlees is waarschijnlijk een Amerikaanse uitvinding, zegt Danielle Nierenberg, onderzoekster van het Worldwatch Institute, het onafhankelijke instituut voor duurzame ontwikkeling in Washington. Vanavond houdt ze in de Amsterdamse zaal Felix Meritis een lezing over de vleesindustrie.
Steele besloot het beste ervan te maken, stopte de kuikentjes in een schuur, gaf ze graan totdat ze een elk een kilo wogen. Daarna liet ze de beestjes slachten en verdiende zo in een klap ruim zeshonderd dollar: 62 dollarcent per pond kippenvlees.
Steele maakte vermoedelijk als eerste van de kip – tot dan toe vooral gehouden om de eieren – een vleesproduct, beschrijft Nierenberg in haar indringende studie ’Happier Meals, rethinking the global meat industry’. En omdat Steele commercieel succes had, kreeg ze navolgers in Maryland en stortten onderzoekers zich op de kip. Toen ging het opeens heel snel: direct na de oorlog was Maryland de ’kippenstaat’ van de VS en nu, zestig jaar later, komt wereldwijd 74 procent van alle kippenboutjes, vleugels en -filets uit de bio-industrie. En het einde is nog niet in zicht, denkt Nierenberg. „De industriële vleesproductie overspoelt de wereld. Na de VS en West-Europa – waar ’gewone kippen’ een zeldzaamheid dreigen te worden - zijn nu ontwikkelingslanden als Brazilië, Polen, Maleisië maar ook de Filippijnen aan de beurt.”Â
Dat geldt niet alleen voor de kip: de helft van alle varkensvlees en veertig procent van alle rundvlees komt tegenwoordig uit bio-industrie. En het einde is nog niet in zicht. Nu nog verorbert de westerling zo’n tachtig kilo vlees per jaar, maar in 2020 is dat negentig kilo, verwachten deskundigen. De vleesconsumptie in ontwikkelingslanden is beduidend lager (zo’n dertig kilo), maar groeit harder dan elders. Nierenberg: „Vlees is voor de meeste mensen een symbool van vooruitgang en is gekoppeld aan een gevoel van geluk en succes. Dus als het economische beter gaat, stijgt ook de consumptie.” Zo zijn de Chinezen sinds 1993 55 procent meer vlees gaan eten. Nu verslinden ze per hoofd van de bevolking jaarlijks 73 kilo.
Moeten we daar blij mee wezen? Nee, vindt Nierenberg. „We eten veel te veel vlees. Vijftig jaar geleden aten we hooguit drie keer per week vlees, toen waren we gezond. Maar nu eten we iedere dag en het liefst nog op verschillende momenten vlees. We proppen ons helemaal vol, met kwalijke gevolgen voor onze gezondheid. En de vleesindustrie maakt het allemaal mogelijk.”Â
De bio-industrie draait immers op turbospeed en is bron van grote milieuproblemen, is verantwoordelijk voor grootschalige ontbossing – voor de soja- en graanteelt – en is een ramp voor het dierenwelzijn. Kippen, varkens en koeien leven geen dag langer dan echt nodig is. Ze zijn verworden tot product, in leven gehouden dankzij een uitgekiend dieet van graan, maïs, aangevuld met groeihormonen en antibiotica, schrijft Nierenberg. Zo verdwijnt in de VS bijna driekwart van alle antibiotica in de veestapel en gaat tachtig procent van de wereldwijde soja- en zeventig procent van de graanoogst rechtstreeks naar de diervoerindustrie. Deze aanpak maakt het mogelijk om een kalf binnen veertien maanden te laten uitdijen van 36 tot 544 kilo. Terwijl het normaal gesproken zo'n vier á vijf jaar duurt voordat een jonge os slachtrijp is.
Mogelijkheden om zich aan deze praktijk te onttrekken, hebben de meeste boeren niet. Zij zijn vaak financieel gebonden aan de vleesverwerkende industrie. Machtige miljardenbedrijven, die dankzij de concentratie- en schaalvergroting steeds machtiger worden. „In de VS is hun aantal op een hand te tellen, zo groot zijn deze vleesverwerkers”, zegt Nierenberg. „Maar ook elders in de wereld is er sprake van schaalvergroting.”
Werken in deze industrie is verder alles behalve een pretje. Human Rights Watch publiceerde vorig jaar een rapport over misstanden in de Amerikaanse vleessector. De arbeidsomstandigheden zijn vergelijkbaar met de sweatshops in Oost-Azië, meent de mensenrechtenorganisatie: „Het zijn bloodshops en niet alleen voor het slachten van dieren.” Eentonig ongeschoold werk, lange werktijden, lage lonen: niet voor niks drijft de Amerikaanse vleesindustrie op illegalen. Ongelukken op de werkplek – drie keer vaker dan in andere sectoren – typeren de vleesverwerkende industrie.
Elders, en dan vooral in de derde wereld, is het volgens Nierenberg nog veel erger. Arbeiders van een (door de overheid gerund) slachthuis in de Filippijnen zijn bijvoorbeeld zo slecht opgeleid dat ze niet eens weten hoe ze dieren op een behoorlijke manier moeten verdoven, doden en slachten. De dieren wacht zo vaak een gruwelijk einde, de slachters, die nauwelijks beschermende kleding dragen, lopen een grote kans op ongelukken.
Is het mogelijk de bio-industrie aan te pakken? Geheel machteloos zijn we in ieder geval niet, meent Nierenberg. „Bangkok bijvoorbeeld belast kippenfarms die dicht bij de stad liggen. Daardoor zijn veel bedrijven landinwaarts getrokken. En dat is gunstig, gezien het risico op bijvoorbeeld vogelpest.”
Maar, waarschuwt de onderzoekster meteen, ingrijpen heeft ook een keerzijde. „Kijk hoe Nederland het mestprobleem van varkens oploste: Dat is prima gedaan. Maar het probleem is wel verplaatst. Veel boeren uit Nederland vertokken naar Ohio en zorgen nu daar voor milieuproblemen.”Â
Internationale afspraken zijn dus noodzakelijk, denkt Nierenberg, hoewel dat een moeizaam traject is. „Regeringen komen pas in actie als er slachtoffers vallen. Maar zelfs dán lopen de belangen uiteen. Kijk maar naar de BSE-crisis. Europa verbood toen de verwerking van diermeel tot diervoerder, maar in de VS veranderde er nauwelijks iets.”
Waar het volgens de onderzoekster vooral om draait is dat de consument kritisch wordt en kiest voor duurzaamheid. Ze is niet tegen vleesconsumptie („Ik eet het zelf niet, uit ethische overwegingen en omdat ik niet tegen lactose kan”), maar pleit vooral voor goed vlees. „Boeren die op kleine schaal vee houden, koeien die nog wel gras krijgen: biologisch vlees bijvoorbeeld. Mijn man eet dat ook: wij geloven dat het gezond is. Er zitten Omega 3 vetzuren in, en die zijn goed voor hart en bloedvaten. De hoge kwaliteit proteïne is bovendien goed voor hem, vooral omdat hij herstelt van kanker. Maar als hij industrieel gekweekt vlees had gegeten, had hij niet die superieure kwaliteit gehad. Dat zit vol Omega 6 vetzuren. Slechte vetten, die juist zorgen voor hartkwalen, een hoog cholesterol en andere gezondheidsproblemen.”Â
Natuurlijk, dat ’goede’ vlees is duurder. „Maar dat andere vlees is eigenlijk te goedkoop. Waar het mij om gaat is dat consumenten de keerzijde zien van de huidige praktijk. Dan is het vaak veel eenvoudiger om een keuze te maken.”Â
Danielle Nierenberg spreekt vanavond om 20.00 over de vleesindustrie in Felix Meritis, Keizersgracht 324 Amsterdam. Trouw is medeorganisator van de lezing.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.