*

 

Goslinga / Armeense kwestie meer dan een lakmoesproef

Hans Goslinga − 06/10/06, 20:31

De assisente van het CDA-kamerlid Nihat Eski heeft twee voornamen: een oerhollandse en een Turkse. Daarmee brachten haar ouders een dubbele loyaliteit tot uitdrukking, de ene aan de Nederlandse buurvrouw die zich voor hun kinderen als een oma gedroeg, de andere aan hun land van herkomst.

In 2001 bracht de WRR, de onafhankelijke denktank van de regering aan de Lange Vijverberg in Den Haag, een rapport uit met het advies dit verschijnsel als behorend bij een ’open immigratiesamenleving’ te accepteren. De politieke kwestie die is ontstaan over de opstelling van Kamerleden en kandidaat-volksvertegenwoordigers van Turkse afkomst tegenover de massaslachting onder de Armeense christenen in 1915 laat zien dat dit gemakkelijker gezegd is dan gedaan.

De vraag is of de partijbesturen van CDA en PvdA niet te snel en te overhaast handelden toen zij eind september de kandidaten van hun verkiezingslijsten verwijderden die deze gebeurtenis niet volmondig als genocide veroordeelden of daarover twijfel opriepen. Louter bezien in termen van politieke geloofwaardigheid hadden zij misschien gelijk, maar dan springt nog altijd de radicaliteit van de beslissing in het oog in een zaak die meer kanten heeft.

Het WRR-rapport uit 2001 was bijna revolutionair, in die zin dat het voor het eerst luid en duidelijk uitsprak dat Nederland een immigratiesamenleving was geworden. Dat lijkt nu niet zo verrassend meer, maar tot aan de eeuwwisseling rustte op deze constatering een zwaar politiek taboe. Het scheelde maar weinig of Roger van Boxtel, de minister van integratie in het tweede kabinet-Kok, was met pek en veren Den Haag uitgejaagd toen hij in 1998 zei dat Nederland ’een immigratieland’ was. Feitelijk had hij gelijk, maar hij mocht het niet zeggen.

Intussen zijn we ons door een aantal gebeurtenissen scherp bewust geworden van de aanwezigheid van meer dan twee miljoen immigranten in ons midden, onder wie bijna een miljoen moslims. Maar nog altijd blijkt het politiek zeer lastig voluit de consequenties hieruit te trekken en te erkennen dat we door immigatie, maar ook door globalisering en verdere Europese integratie, in een sterk veranderde samenleving terecht zijn gekomen, die andere eisen stelt en andere oriƫntaties vergt. De moeizaamheid van deze omslag verklaart de heftigheid waarmee het debat over de integratiekwestie verloopt.

De WRR stelde destijds dat een open immigratiesamenleving moet accepteren dat migranten gelijktijdig op hun land van herkomst georiƫnteerd blijven. We moesten daarom niet van hen verlangen zich volledig aan onze cultuur aan te passen. Diversiteit was juist mooi, zolang deze verscheidenheid niet leidde tot segregatie. Het beleid behoorde zich vooral te richten op versterking van de individuele weerbaarheid van immigranten, zodat ze voluit konden participeren, zowel op de arbeidsmarkt als in het maatschappelijk leven. Vanwege het verschijnsel van de tweezijdige loyaliteit adviseerde de raad de dubbele nationaliteit van immigranten formeel te aanvaarden.

Met de kennis van nu weten we dat de denkers aan de Lange Vijverberg zich de overgang naar de open immigratiesamenleving iets te rooskleurig voorstelden. Als verzachtende omstandigheid geldt dat zij hun rapport schreven voordat de aanslagen op de Twin Towers plaatsvonden, die sterke repercussies hadden voor de stemming jegens de moslims in ons land. Maar misschien hadden de onderzoekers lering moeten trekken uit de ervaringen in ons eigen land met de katholieken. Deze bevolkingsgroep moest in de 19de eeuw opboksen tegen de protestantse beduchtheid dat zij loyaler waren aan de paus dan aan de Nederlandse staat. Ook toen deed zich dus het verschijnsel van dubbele loyaliteiten voor.

Het antipapisme stak op felle wijze de kop op, toen de paus in 1853 de katholieke kerkprovincie Nederland herstelde. Protestantse agitatoren verbrandden papieren bisschoppen op straat en riepen de koning op ’zich krachtdadig te tonen en Rome in het aangezicht te slaan’. De woelingen kostten Thorbecke politiek de kop, hoewel hij zich terecht beriep op de zojuist in de nieuwe grondwet verankerde vrijheid van godsdienst. Het antipapisme werkte nog lang door in de Nederlandse politiek, zelfs tot na de oorlog. Het vond zijn definitieve einde in de politieke fusie van protestanten en katholieken in het CDA in 1980.

De denktank aan de Hofvijver was overigens niet blind voor de realiteit. Zij sprak vijf jaar geleden de verwachting uit dat zich vaker botsingen van opvattingen zouden voordoen en dat de toon zou verscherpen. Ook dat was in hun ogen inherent aan een open samenleving met een grote culturele diversiteit. In dat licht is het logisch dat met zoveel Turken en Armeense en Syrische christenen in ons midden de discussie over de traumatische gebeurtenissen in 1915 vroeg of laat zou losbarsten.

Uit de reactie van de partijbesturen van CDA en PvdA is gebleken dat het begrip voor de dubbele loyaliteit van hun Turkse kandidaten en de spanningen die dat voor hen meebrengt, niet al te groot is. Door hun overhaaste handelen hebben ze bovendien de geschiedenis, en meer nog de volkenrechtelijke kwalificatie daarvan, teruggebracht tot een lakmoesproef voor politieke correctheid. Dat is een verenging die in geen geval recht doet aan de tragiek en de omvang van de slachtingen onder de Armenen.

Met de verklaring dat zij de term ’genocide’ terecht vinden, maar Turkije het recht toekennen het gebruik van deze kwalificatie te bestrijden, hebben de PvdA-kamerleden Albayrak en Timmermans gepoogd aan deze verenging te ontsnappen. Daarin kan kritiek worden gelezen op het overijlde besluit van PvdA-voorzitter Van Hulten om de kandidaat Sacan van de lijst te gooien. Als de onrust naar aanleiding van deze kwestie iets duidelijk heeft gemaakt, is het dat de grote volkspartijen CDA en PvdA de omslag naar de immigratiesamenleving nog altijd niet volledig op haar betekenis schatten.

mailIcon print |