’Twintig jaar geleden veranderde Taiwan van een dictatuur in een democratie. Dat ging gepaard met een bliksemsnelle modernisering. En nu zien we de strenge, confucianistische arbeidsmoraal naast gay-clubs en piercing-studio’s, de bonte taoïstische tempels naast glazen torenflats en supermarkten die dag en nacht open zijn.’ De Zwitserse antropoloog David Signer beschrijft een verwarde samenleving waar iedereen keihard werkt en waar liefde en seks onbelangrijk zijn.
Hoe functioneert Taiwan? Geen volk werkt zoveel als de Taiwanezen – 2282 uur per jaar. Dertig procent werkt meer dan 62 uur per week. Taiwan heeft de op een na hoogste bevolkingsdichtheid ter wereld. Alleen Bangladesh is dichter bevolkt. Hoewel Taiwan kleiner is dan Zwitserland behoort het tot de twintig meest succesvolle industrielanden; het is marktleider in het vervaardigen van notebooks en nergens zijn er meer mobieltjes (1,14 per inwoner). Overigens zijn er ook maar drie landen ter wereld waar de mensen nog minder seks hebben dan de Taiwanezen, en volgens een onderzoek van het tijdschrift Elle zijn de Taiwanese vrouwen de ongelukkigste ter wereld. Ten slotte heeft het land het hoogste percentage bijzienden. Maar of dit alles op een of andere manier samenhangt?
Twintig jaar geleden veranderde Taiwan van een dictatuur in een democratie. Dat ging gepaard met een bliksemsnelle modernisering. En nu zien we de strenge, confucianistische arbeidsmoraal naast gay-clubs en piercing-studio’s, de bonte taoïstische tempels naast glazen torenflats en supermarkten die dag en nacht open zijn. Sinds de vlucht van Mao’s tegenstander Tsjang Kai-sjek naar Taiwan in 1948, wordt het land door de Volksrepubliek China als afvallige provincie behandeld. Met haar hoofdstad Taipei, dat met alle voorsteden rond acht miljoen inwoners heeft, is het in zekere zin de postmoderne versie van Peking.
In veel gezinnen werken man én vrouw, en niet alleen erg veel, maar ook vaak in verschillende steden. Ze zien elkaar alleen in het weekeinde. De kinderen groeien meestal op bij de grootouders die een wereldbeeld uitdragen dat met de huidige realiteit nog maar weinig gemeen heeft. Aangezien voor Taiwanezen bijna niets zo belangrijk is als een goede opleiding voor hun kinderen, worden die meteen na schooltijd tot in de late avonduren met extra cursussen en bijlessen overladen.
In Taipei ben ik bij een chirurg op bezoek. Zijn zesjarige dochter leert op school al Engels. Maar ook in de avonduren heeft ze Engels, en bovendien teken-, dans- en pianolessen. Vol trots speelt ze klassieke pianostukken uit haar hoofd. In augustus gaat het hele gezin naar de VS om haar Engels op een zomerkamp te laten bijspijkeren. Ik vraag de vader of hij niet bang is dat de druk op de kinderen te groot wordt. Uit Japan hoor je steeds weer verhalen over leerlingen die zich vanwege de schande van een mislukt proefwerk van kant maken. ‘Ja, soms is al die moeite voor niks’, zegt de arts. ‘De muzikale wonderkinderen spelen op hun veertiende soms wel virtuoos, maar op hun vijfentwintigste zijn ze vaak niet verder dan degenen die pas op hun tiende zijn begonnen.’ Maar hij heeft het ook over de concurrentie tussen de ouders, waaraan je niet ontkomt. Daar komt bij dat het eenkindgezin – in China afgedwongen – in Taiwan vrijwillig en normaal is. En natuurlijk wordt er meer geld en energie gestoken in de stimulering van dat ene kind.
De nadruk op vorming en prestatie is karakteristiek voor alle confucianistische landen: China, Japan, Korea, Singapore. Maar in Taiwan wil de bevolking de wereld ook nog laten zien dat ze het betere China is. Van 1895 tot 1945 was Taiwan door Japan bezet, daarna ging het bij China horen. Toen na de Tweede Wereldoorlog Mao’s Rode Leger de nationalisten van Tsjang Kai-sjek versloeg, vluchtte deze met 1,5 miljoen burgers (vooral uit de ontwikkelde bovenlaag), 500.000 soldaten en de schatkist naar Taiwan. Zowel Mao als Tsjang Kai-sjek beschouwde zich als legitieme vertegenwoordiger van China. De officiële naam van Taiwan is nog steeds ‘Republiek China’. De VS bewapenden Taiwan als speerpunt tegen het communistische China, en Tsjang Kai-sjek week tot zijn dood in 1975 geen duimbreed af van zijn doel China te heroveren. Taiwan heeft een bevolking van 24 miljoen, China van 1,3 miljard. De eilandstaat is economisch weliswaar een wereldmacht, maar politiek zeer geïsoleerd. Taiwan heeft in de VN niet eens de status van waarnemer en wordt maar door 27 staten officieel erkend, waaronder Palau, Kiribati en Swaziland. Want de Volksrepubliek China weigert diplomatieke betrekkingen met landen die Taiwan erkennen, en wie zou, zeker vandaag, China tegen zich in het harnas willen jagen?
Aan één stuk door voelt men in Taiwan de aanwezigheid van China, als een grote broer tegen wie je je wilt afzetten, maar die zelfs in het afstand nemen altijd nog toonaangevend blijft. Taiwan respecteert de mensenrechten, wordt altijd weer beklemtoond, in Taiwan lijdt niemand honger, in Taiwan heersen vrijheid van meningsuiting en persvrijheid, Taiwan is progressief, democratisch, liberaal, kosmopolitisch, postindustrieel en postmodern: het betere China. Maar de bevolking lijkt zich in de enerverende situatie van een jumbojet te bevinden: daalt het tempo tot onder een bepaald punt, dan stort hij neer.
Sheena Chang is redacteur bij China Times. Ook haar dochter doet sinds haar vierde een extra cursus Engels. Het gaat Sheena er vooral om het meisje later aan een rijksuniversiteit te krijgen. Die zijn beter dan de particuliere, en ook nog voordeliger. Dat leidt ertoe dat vooral de kinderen van ontwikkelde en rijke ouders, die zich die speciale lessen kunnen permitteren, op de ‘goede’ universiteiten komen, waar ze bovendien bijna niets hoeven te betalen, terwijl de kinderen uit de onderlaag voor hun plaats aan een ‘slechte’ universiteit erop moeten toeleggen.
Sheena Chang komt met een ander Taiwan-record: nergens ter wereld slapen de kinderen zo weinig als in Taiwan. Ze noemt mensen zoals zij ‘pm-people’, van post meridiem. ‘Ik ga 2 pm (dus om 14.00u.) werken en kom 10 pm (dus om 22.00u.) thuis.’ Ook de meeste werknemers in de it-branche werken ’s nachts, omdat het bij hun klanten in Europa of de VS dan overdag is. De kinderen van zulke ‘pm-ouders’ blijven tot middernacht met hen op: ze eten samen, kijken tv en doen computerspelletjes. Maar de kinderen moeten wel – anders dan de ouders – om 7 am opstaan.
Ze vertelt het zo zakelijk dat ik haar voorzichtig vraag of dat de gezondheid van de kinderen niet schaadt. ‘Misschien wel’, zegt ze, ‘maar het maakt ze ook sterker. Zo leren ze later met druk om te gaan. Het grootste probleem is het verwennen door de grootmoeders. Die stoppen ze alleen maar vol, zonder ze iets te leren.’
Op een avond zit ik met een psychiater in een heetwater-bron (naast karaoke een van de favoriete vrijetijdsgenoegens van de Taiwanezen). Om tien uur zegt hij dat hij nu naar huis moet om nog huiswerk te maken met zijn dochter. ‘Nu nog?’ vraag ik verbaasd. ‘Ja, ze heeft morgen scheikundeproefwerk, en ik neem de stof nog ’n keer met haar door.’
Een Zwitserse die lang in China en Taiwan woonde, zegt: ‘Het enige wat voor deze mensen telt is geld verdienen en eten. Liefde en seks zijn onbelangrijk. Als iemand tegen je zegt ‘Ik hou van je’ dan betekent dat helemaal niets. Maar als hij je een flink stuk van zijn portie vlees geeft, dan weet je dat je belangrijk voor hem bent.’
De Taiwanese erotiek is inderdaad niet makkelijk te begrijpen. De mensen zijn heel preuts; behalve in het centrum van Taipei zie je amper paartjes die op straat elkaars hand vasthouden of verdergaande tederheden uitwisselen. Maar neem nu de prikkelende verkoopsters van betelnoten. Alleen in bikini zitten ze in een glazen cabine die dankzij de groene neon-ster al van ver te herkennen is. Je stopt met de auto, ze komt naar buiten, buigt voorover door het open raam zodat je in haar decolleté kunt kijken, loopt heupwiegend op haar hoge hakken terug om het bestelde te halen, en geeft je met een verleidelijk lachje de noten. De euforie en het zweten, die volgen op het betel-kauwen, maken het geluk volmaakt.
De betelnoten kosten bij deze meisjes ongeveer twee keer zoveel als normaal, maar vooral taxi- en vrachtwagenchauffeurs nemen dat graag voor lief. De verkoopsters zijn het meest te vinden op het platteland; de burgemeester van het liberale Taipei probeert ze uit het stadscentrum weg te houden.
Ook traditionele heelmeesters bieden hun wondermiddelen samen met een schaars gekleed meisje aan. Maar het gekste is dat de ‘sexy girls’ ook optreden op bruiloften en zelfs op begrafenissen. Je ziet dan een optocht van auto’s en vrachtwagens; op één ervan ligt de kist met de gestorvene, op een andere zitten de klaagvrouwen, en op een derde dansen de ‘sexy girls’. Blijkbaar ervaren de aanwezigen, onder wie veel kinderen, geen tegenspraak tussen de tafeldans-sfeer en de rouw om de overledene. ‘De nabestaanden geven veel geld uit aan de voorstellingen, om te zorgen dat er veel mensen komen en zo de gestorvene eer te bewijzen’, wordt mij verteld.
Vanwege de officiële preutsheid is het voor liefdesparen en zelfs echtgenoten niet eenvoudig zich terug te trekken. Een favoriete plek voor intieme ontmoetingen was lange tijd de mtv, cabines waar je samen naar films kon kijken. Maar op een gegeven moment verscheen de politie, de cabines mochten niet meer afgesloten worden en een toezichthouder kon onverwacht binnenvallen. Toen gingen de paartjes naar parken en ktv’s: gebouwen met tientallen vertrekken waar je met z’n tweeën of in grotere groepen karaoke zingt. Maar ook hier kan plotseling een kelner binnenkomen. Wel heeft elk vertrek een opvallend ruim – en afsluitbaar – toilet. Nu zijn vooral de motels in trek, die relatief voordelig zijn – drie uur kost ongeveer 20 euro. Nadeel: ze liggen meestal wat afgelegen, je hebt een auto nodig.
Het is makkelijker een goed restaurant te vinden. In Taipei zijn duizenden eetgelegenheden. Zelfs op de top van de schoorsteen van de vuilverbrandingsinstallatie bevindt zich een draaibaar panorama-restaurant, met de naam ‘Star Tower’. Blijkbaar bestaat er voor de Taiwanezen een nauw verband tussen eten en seks. Voortdurend krijg je van gerechten te horen dat ze vooral mannen goed zullen doen. Dat geldt voor lokale specialiteiten als runderogen, bijenlarven, zwaluwnestjes (van het speeksel van de vogels), sprinkhanen, gedroogde hertenpenis, haaienvin, zeekomkommer, paddestoelen, gedroogde menselijke moederkoek, ongeboren kuikens in het ei (rauw), ginseng, berenbot, eendentong, zeepaardje, maar vooral slang. Op de Huaxi-avondmarkt hangt een marktkoopman de nog levende slang aan een touw op, snijdt haar in de lengte open, vangt het bloed in een glas op en biedt dat aan om te proeven. Dan verwijdert hij de gal en perst die ook in een glas uit. Het geleiachtige slijm schijnt bijzonder potentie-bevorderend te zijn, zoals de koopman met zijn eetstokje tussen de benen demonstreert.
De vrouwen worden er niet gelukkiger van. Neem Chang Mei-Ling. Ze is midden dertig, heeft romanistiek gestudeerd en werkt bij een Franse firma. Ze is single. Alles wat bij een man pluspunten zouden zijn – opleiding, goede baan, hoog inkomen – worden bij haar minpunten, zegt ze. En ze is ook nog aan de lange kant. Een man wil beter opgeleid zijn dan zijn vrouw, een beter inkomen hebben en een kop groter zijn. Zij zelf wil misschien ook wel zo’n man. Maar de weinigen die aan deze criteria voldoen, werken zoveel dat ze nauwelijks tijd hebben voor een relatie.
Chang Mei-Ling is getrouwd geweest. Zij wilde kinderen, hij niet. Hij zei dat hij eerst een miljoen dollar wilde verdienen. Ze zagen elkaar praktisch nooit. Toen ze merkte dat hij met een vrouw op zijn werk een verhouding had, liet ze zich scheiden. ‘Alles wordt ondergeschikt gemaakt aan de carrière’, zegt ze. ‘De meeste Taiwanese mannen zijn zo. Soms proberen ze te veranderen, ter wille van een vrouw, maar na een tijdje krijgen ze een hekel aan haar omdat ze het gevoel hebben dat zij hen iets heeft afgepakt.’ Haar ouders waren ook voortdurend voor zaken onderweg toen zij een kind was. Meestal is de oudste dochter verantwoordelijk voor de broertjes en zusjes. ‘Daarom zijn we zo clever en zelfstandig’, zegt Chang Mei-Ling, ‘omdat we zonder toezicht moesten opgroeien.’
Haar uitgaan beperkt zich tot zakenetentjes en karaoke-avonden met klanten. Ze geeft niets om winkelen en dure merkkleding; haar geld geeft ze uit aan reizen – afgelopen jaar verbleef ze met haar moeder in een vijfsterrenhotel op een eiland in de Stille Oceaan – en aan haar verzameling pluchen varkentjes. Ze zegt: ‘Jij denkt dat onze maatschappij kleurig is en vrij. Maar dat lijkt alleen zo omdat we geen wortels hebben. Onze ouders waren migranten, ze waren al vreemd toen ze hierheen kwamen en nu begrijpen ze helemaal niets meer. We zijn allemaal weeskinderen, en onze eigen kinderen zullen dat ook zijn.’ Ze zegt ook: ‘Veel mensen werken niet elke avond tot 10 uur omdat ze moeten, maar vanwege hun innerlijke leegte. Ze dromen ervan op hun vijftigste genoeg gespaard te hebben om met pensioen te kunnen gaan. En dan sterven ze van verveling.’
Vergeleken met de hypermoderniteit van Taiwan maakt Europa een oude indruk. Nu al is de helft van Taipei een draadloze internetzone; ook in de metro kun je je e-mails bekijken. De burgemeester wil Taipei tot de eerste ‘draadloze’ stad ter wereld maken. Veel mensen hebben een navigatiesysteem op hun mobieltje; ook als ze verder volkomen de weg kwijt zijn, kunnen ze zich in elk geval geografisch altijd oriënteren. In veel taxi’s zitten zelfs in de neksteunen beeldschermen, zodat je tijdens de rit het nieuws kunt zien. Die efficiëntie zie je overal. Een Taiwanese vertelt me dat ze eens in Duitsland op een bruiloft is geweest. Ze vond het ‘verschrikkelijk, het duurde een eeuwigheid’. Zelfs een bruiloft moet razendsnel worden afgewerkt.
Er zijn restaurants met op elke tafel een beeldscherm waar je onder het eten honderd verschillende programma’s kunt bekijken, en in veel hotels worden bad- en slaapkamers slechts door een ruit gescheiden. Niet om vanuit het bed je vrouw onder de douche te kunnen zien, maar, omgekeerd, om zelfs vanuit het bad tv te kunnen kijken.
Een technisch wonder is ook het 508 meter hoge flatgebouw ‘Taipei 101’: het heeft de snelste lift ter wereld; met zestig km per uur schiet je in een paar seconden naar de tachtigste verdieping. Maar je merkt er niets van: de cabines hebben een constante luchtdruk.
Maar ‘Taipei 101’ is ook volgens Feng-shui-principes geconstrueerd; dat is de traditionele leer die de architectuur aanpast aan de onzichtbare stromingen en geesten van een plek. Volgens deze opvatting mag bijvoorbeeld de achteruitgang niet in rechte lijn achter de ingang liggen; anders riskeer je dat de bezoeker het gebouw door loopt en het van achteren meteen weer verlaat. Ook is het volgens Feng-shui slecht voor de bewoners als een straat direct op hun flatgebouw uitkomt. Om slechte invloeden af te weren, kun je een achthoekige spiegel bij het raam bevestigen. Die kaatst het negatieve terug.
‘Taipei 101’ bestaat uit louter segmenten van acht verdiepingen; acht is het Chinese geluksgetal. Vier is het ongeluksgetal, daarom is er geen vierde verdieping. Het gebouw lijkt met zijn in elkaar gestoken delen op een bamboe. Bamboe – leeg en buigzaam, maar toch hard – is een oud symbool voor weerstandsvermogen en vooruitgang. ‘Taipei 101’ is zo gebouwd – met een 660 ton zware, hangende stalen kogel als demper – dat hij ook bij zware aardbevingen niet breekt maar schommelt, als een bamboeriet in de wind.
Wat ook frappeert in deze hyperkapitalistische maatschappij – steeds weer krijg ik te horen: ‘Alleen wie lui is of te veel kinderen heeft, is arm’ – is het verbranden van geld. Weliswaar zijn het geen echte bankbiljetten, maar ‘geldpapieren’ die speciaal voor offerdoeleinden geproduceerd en verkocht worden. De eigenaars verbranden ze in blikken emmers vóór hun winkels en bidden zo voor een goede handel. Sinds kort is er zelfs eco-geld dat minder rook geeft, maar wel wat duurder is.
In het it-bastion Taipei wemelt het van de confucianistische, taoïstische en boeddhistische tempels, die tegelijk orakelplaatsen zijn. Zo is er de City of God-tempel; massaal leggen hier jonge vrouwen met Gucci- of Louis Vuitton-tasjes op zaterdagmiddag bloemen en verlovingskoeken op de altaren voor ze gaan winkelen. Want hier troont de god van het huwelijk, aan wie de vrouwen met orakelstaafjes vragen over hun aanstaande kunnen stellen.
Op een avond bezoek ik een tempel. Er staat een soort rijdende schrijn voor. ‘Daar zet men de god in en rijdt ermee rond, bijvoorbeeld op iemands verjaardag’, zegt men mij. ’Nu is de god net in China, maar morgen komt hij terug en dan is er een processie.’ Die processie is een enorm spektakel met voetzoekers, rode Bengaalse fakkels, een rijdend lichtorgel, vuurwerk, trommels en krakende luidsprekers. De ‘god’ is een bont beschilderde houten figuur die in een lange, wippende draagstoel door de wijk wordt gedragen, belicht door felle neonbuizen. De sterren van de optocht zijn Hsie en Fan, die normaal gesproken als tempelwachters annex standbeelden dienstdoen. Hsie heeft een zwart gezicht, Fan heeft een neerhangende tong en is zo groot dat de man die zijn kostuum draagt door een gat in zijn hemd kijkt. Alles vanaf de borst balanceert hij op zijn hoofd. Hun uiterlijk wordt verklaard door een legende. Op een dag spraken ze af op een brug. Hsie was wat te vroeg en keek tijdens het wachten naar het water onder zich, toen hij zijn evenwicht verloor en naar beneden viel. Toen Fan kort daarop verscheen en zijn vriend dood aantrof, wurgde hij zich uit wanhoop met eigen handen. Daarom hangt de tong uit zijn mond, terwijl zijn verdronken vriend in het donkere water zwart werd. In Taipei zegt men dat de geesten van de twee ’s nachts, met kettingen verzwaard, door de Manka-wijk zwerven en dieven verslinden. Inderdaad is het aantal misdaden in Manka lager dan in andere delen van de stad.
Taipei heeft verschillende monumenten voor de helden van de natie, onder andere voor Tsjang Kai-sjek en Sun Yat-sen. Ze bestaan uit een reusachtige gedenkhal met een meer dan levensgroot standbeeld, wachtsoldaten in groot tenue, en veel lege ruimte die de onsterfelijken op de juiste afstand tot het leven van alledag plaatst. Verbluffend is hoe de stadsbewoners met deze plekken omgaan. Wie daar om vijf uur ’s morgens in de nog stille stad naartoe gaat, wordt plotseling met een soort carnaval geconfronteerd. Uit tientallen luidsprekers schalt een kakofonie van marsmuziek, hiphop, Chinese klassieken, country, tango en new age-geruis. Er zijn honderden mensen. Sommigen zijn bezig met taichi, anderen met zwaardgevechten, nog weer anderen doen gezelschapsdansen in de ochtendnevel. Een man en vrouw op leeftijd werpen elkaar een roze frisbee toe. Er zijn mensen in kimono, in cheerleader-look, in een rapper-outfit met de grootste maat broek en capuchon. Veel deelnemers zijn al ouder en vragen je: ‘Hoeveel jaar geeft u mij?’ Meestal zijn ze ongeveer tweemaal zo oud als ze eruitzien. Maar er zijn ook jongeren die hier in de morgenstond salsa dansen. Het spektakel vindt plaats aan de voet van ‘Taipei 101’. Zakenlieden haasten zich erheen, in pak en das, tussen kungfu-krijgers en schaduwboksers door. Dit alles is niet georganiseerd, veel deelnemers komen wel regelmatig, maar de groepen veranderen voortdurend. Om zeven uur verschijnen de wachtsoldaten in paradepas. Ze hijsen de Taiwanese vlag en het volkslied klinkt. Met één klap onderbreekt iedereen zijn activiteit en gaat in de houding staan. Maar slechts een paar minuten, dan gaat alles weer door: Chinees ballet, aerobic, rock-’n-roll en chi-gong. Intussen zit overal in het park Sun Yat-sen, de ‘vader van de natie’, nu eens van steen, dan van brons, en kijkt stoïcijns naar al het gedoe.
Peng Wu Chih is een van de bekendste taichi- en kungfu-meesters van het land. Hij was de laatste leerling van de beroemde vechtsportmeester Liu Yun-Qiao (die chef veiligheidsdienst van Tsjang Kai-sjek was). Hij verpleegde Yun-Qiao in zijn laatste maanden, toen deze al zo verzwakt was dat hij hem alleen nog door middel van eetstokjes kon onderrichten.
Een van Peng Wu Chih’s specialiteiten is de ‘rapid taichi’. Hij beweert dat taichi oorspronkelijk niet, zoals nu, met de traagheid van een schildpad beoefend werd, maar heel snel. In een restaurant, tussen hoofdgerecht en dessert, geeft hij een kleine demonstratie naast de eettafel. Het duurt maar een paar seconden. Dr. Peng houdt trouwens helemaal van snelheid. Voor we in zijn auto stappen zegt hij: Doe uw gordel om, ik rij als James Bond. Wat nauwelijks overdreven is. Hij spreekt over ‘chi’, de levenskracht, en zegt: ‘Meditatie betekent niet je uit de wereld terugtrekken, maar aanwezig zijn. In een halve seconde bereiken waar je tegenstander twee seconden voor nodig heeft. Je midden niet verliezen, ook als je druk bent.’ Eenmaal pakt hij kort mijn pols beet, niet stevig, maar ik voel een verschrikkelijke kracht. Hij zou me in een onderdeel van een seconde kunnen doden.
Een van zijn leerlingen zegt: ‘In de eerste les zei hij tegen mij: I will kill you. En dat klopte ook. Tijdens de lessen stierf ik van binnen; hij vernietigde mijn waardenschaal. Het belangrijkste bij de vechtkunst is oplettendheid, en daarvoor moet je je van je verleden ontdoen.’
Peng Wu Chih beëindigt de ontmoeting met een korte anekdote: ‘Twee mannen stierven. God vroeg wat ze zich in het volgende leven wensten. De een zei: veel geld krijgen. De ander: veel geld geven. De eerste werd wedergeboren als bedelaar, de tweede als miljonair.’
Op 1 mei zoek ik demonstranten – tevergeefs. Taiwan kent geen betogingen van arbeiders. Taiwan is de droom van iedere neoliberaal: tot voor kort bestond er geen werkloosheidsverzekering (en waren er – althans officieel – geen werklozen), geen ziekte- en ouderdomsverzekering, geen sociale dienst. Alles wordt privé verzekerd of binnen de familie geregeld. Sommige werknemers schenken hun bedrijf zelfs een deel van hun vakantie. Ook bouwvoorschriften schijnen onbekend te zijn; Taipei is voor een architect tegelijk droom en nachtmerrie, want alles is mogelijk (hoogtepunt: een gebouw in de vorm van een damestas).
Naar aanleiding van het bezoek van de Chinese president Hu Jintao aan Washington houden Falun Gong-aanhangers in Taipei een optocht. Deze spirituele beweging is in China verboden. Laatst getuigde een arts dat hij in een Chinees concentratiekamp had gewerkt waar tienduizenden Falun Gong-aanhangers dwangarbeid moesten verrichten. Bij hen werden, levend en wel, organen weggehaald die dan voor transplantaties werden verkocht. Anti-Chinese propaganda of niet, zulke berichten schrikken de Taiwanezen steeds weer op en herinneren hen eraan dat de eigen welstand hoogst precair is: een tuintje op een uitstekende rots. Tien jaar geleden had Taiwan nog hogere militaire uitgaven dan China; intussen geeft China driemaal zoveel aan bewapening uit. Zeshonderd raketten zijn op Taiwan gericht, en elk jaar komen er 75 bij. Eén verkeerd woord van een politicus over het taboe-onderwerp ‘formele onafhankelijkheid’ in Taipei, en in Peking kan op een rode knop worden gedrukt.
Onlangs betaalde China het nietige eilandstaatje Nauru in de Stille Oceaan 150 miljoen dollar om maar diplomatieke betrekkingen met Peking in plaats van met Taipei aan te knopen. Dat kan Taiwan niet bijbenen. Het kan alleen proberen zich buiten de officiële betrekkingen om, en vooral economisch, onmisbaar te maken. Maar dat is een inspannende en eenzame taak.
Op de laatste dag rijden we naar het ‘kinder-recreatiecentrum’, een soort Aziatisch Walt Disney-park. Een mooi, luxueus oord. Er waren alleen geen kinderen, niet één. ‘Tegenwoordig spelen ze liever thuis met de computer’, zegt een toezichthoudster; een andere: ‘De meesten hebben ’s avonds nog cursussen’; en de suppoost bij de uitgang: ‘De ouders hebben geen tijd om met de kinderen hierheen te komen.’ Op de terugweg pik ik onder het voorbijrijden een beeld op: een lege kinderspeelplaats met in de beginnende regen een zakenman in zwart pak die op een wip zit en telefoneert.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.