*

 

Islamitische scholen / In het begin ging er veel fout

door Ingrid Weel − 02/12/06, 00:40

Lage cijfers, veel zittenblijvers. De resultaten van leerlingen op de islamitische middelbare scholen zijn ver onder de maat. Maar tegenvallende prestaties of niet, sommige leerlingen voelen zich op zo’n school wel beter thuis.

Doorzoek de schoolprestaties op www.trouw.nl/schoolprestaties2006

’Ik zat op het Cartesius Lyceum in Amsterdam, maar ik voelde me daar niet thuis. Dat begon al op het schoolplein, waar leerlingen gewoon een jointje stonden te draaien. Dus toen deze school in 2001 werd opgericht, ben ik hier naar de tweede klas van de havo gegaan. Het beviel me hier goed, anders zou ik ook zo weer zijn weggegaan.”

Aan het woord is Souad (18 jaar), inmiddels eerstejaars studente op de pabo. Ze heeft haar havodiploma gehaald op het Islamitisch College Amsterdam (ICA), qua prestaties de slechtste school van Nederland. Ze wil aanvankelijk geen kwaad woord kwijt over ’haar’ school, waar ze nog vaak langskomt om met docentes te praten over haar ervaringen op de hogeschool.

De oud-leerlinge prijst de docenten. „Op het ICA werken veel jonge docenten. Ik had het idee dat zij mij veel beter begrepen dan op het Cartesius. Als ik het niet meer zag zitten, stond er altijd iemand voor me klaar die me overhaalde door te gaan. Dan kreeg ik een enorme peptalk en dan ging het wel weer.”

Andere leerlingen van de ICA om haar heen knikken instemmend. Dit groepje vmbo-leerlingen dat voor het zorgprofiel heeft gekozen, heeft net bij een kopje thee kunnen bijkletsen met hun lerares verzorging over hun aankomende stage. Tijdens dit uurtje gaat bij sommige meisjes de hoofddoek af. Voor hen is het een onding dat verplicht is op school als er jongens in de buurt zijn, maar dat daarbuiten niet gedragen wordt. De islamitische lerares – ook met hoofddoek – vertelt hen over eventuele kledingvoorschriften op de stageplek. Sommige scholen accepteren bijvoorbeeld geen hoofddoek. Ze wijst er de meiden op dat ze een oriëntatiegesprek aan moeten vragen, zodat ze de eerste dag beslagen ten ijs komen.

Dat is de doelstelling van de school: de leerlingen klaarstomen voor de Nederlandse samenleving. Op het ICA is sobere, bedekte kleding verplicht, geven mannen en vrouwen elkaar geen handen, wordt er Arabische les gegeven, verkoopt de kantine alleen halal-eten, en is gymles gescheiden. Maar de leerlingen leren wel dat als zij later rechter willen worden, hun hoofddoek afmoet. Bij de onpartijdige rechtbank horen kledingcodes.

De islamitische identiteit van de school is vooral zichtbaar door Arabische teksten in de school. Zo hangt boven de deur van het gebouw de spreuk ’En zeg: O Heer, vermeerder mijn kennis’. Er zijn strenge regels, maar die worden op het eerste gezicht niet enorm streng nageleefd. Er wordt gebeld in de gangen, terwijl de mobiel in het kluisje hoort te liggen. De klassen zijn gemengd, maar jongens en meisjes mogen in de klas niet naast elkaar zitten. In de kantine en op het schoolplein doen ze dat wel.

„Het is mijn overtuiging dat een school voor bijzonder onderwijs goed is voor de vorming van kinderen”, vertelt ICA-rector Piet Guijt. „Bij ons krijgen kinderen binnen de islamitische cultuur Nederlands onderwijs. We proberen bij te dragen aan de identiteit van leerlingen, maar ze tegelijkertijd voor te bereiden op een goede participatie in Nederland.”

Guijt, voorheen docent pedagogiek op Fontys Hogescholen, werd op 1 januari 2005 conrector op het ICA, daarna rector. Het bestuur had gehoopt op een islamitische rector, maar het is Guijt geworden, die na 17 jaar Fontys toe was aan iets nieuws. „Dit is met recht een uitdaging. Een klus om flink de schouders onder te zetten.”

Al sinds de start zijn de twee islamitische scholen omstreden. Velen menen dat het niet goed is als moslims zich afzonderen van de rest van Nederland. De islamitische scholen beweren dat het juist goed is voor de emancipatie van de bevolkingsgroep. Onder elkaar zouden ze zich ook veiliger en beter begrepen voelen, wat hun schoolprestaties juist ten goede zou komen. Tot nu toe lijkt dat niet het geval.

Al in 2000 was de onderwijsinspectie bezorgd over het niveau van onderwijs op de Ibn Ghaldoun-school in Rotterdam. Vooral de kwaliteit van lessen aan de – toen nog maar vijftien – leerlingen in eindexamenklassen mavo en vwo riep vragen op. Volgens de inspectie was bijna drie maanden na aanvang van het schooljaar nog onduidelijk hoeveel gekwalificeerde leerkrachten de school had. Ook zou veel lesstof niet in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen. Het schoolbestuur weet het aan startproblemen.

Vier jaar later constateerde de onderwijsinspectie nog steeds grote problemen bij de twee islamitische scholen. Enerzijds waren die dezelfde als op andere middelbare scholen in grote steden, namelijk gebrek aan goed personeel en gebrek aan gezag bij ouders én leerlingen. Maar er leek bij de Amsterdamse school ook een machtsstrijd te zijn tussen docenten met en zonder islamitische achtergrond. Een aantal docenten stapte op.

Van Souad hadden er nog wel meer leraren mogen vertrekken. „Sommigen meldden zich ziek als je ze het hardst nodig hebt. Vlak voor de toetsweek waren ze opeens overspannen. Nou, ik geloof er helemaal niets van.” Souad krijgt bijval van de andere meiden. „Sommige leraren werken hier echt met hart en ziel”, vervolgt ze haar verhaal. „Maar andere zijn hier alleen maar om geld te verdienen. Dat zeggen ze ook gewoon. Dan noteren ze aan het begin van het uur wie er aanwezig zijn, en dan gaan ze vervolgens zelf weg en moet de klas het maar uitzoeken. Dat wij dan vervolgens lage cijfers halen, ligt niet aan ons, maar aan die leraren.”

Hun lerares verzorging erkent dit probleem. „Ik heb me in vier jaar tijd nog maar twee dagen ziek gemeld, anderen zijn continu afwezig. Dat zorgt voor lesuitval, en dat komt de prestaties weer niet ten goede.” Souad, heel stellig: „Die leraren willen de school neerhalen. Waarom? Ja, dat weet ik ook niet. Vraag het aan hen. Ze komen er zelf voor uit, hoor, dat ze alleen maar hier werken voor hun brood.”

Ongeveer twee derde van de docenten op het ICA is van allochtone komaf, de rest autochtoon. Een deel van de leerkrachten beheerste het Nederlands onvoldoende. Rector Guijt: „Dat is inmiddels opgelost. We hebben hun achterstand weggewerkt door ze een jaar lang wekelijks een dagdeel naar Nederlandse les te sturen.” Ook de inspectie heeft onlangs geconstateerd dat het merendeel van de docenten de Nederlandse taal goed beheerst.

„Ons grootste probleem is de zorg dat er voldoende docenten zijn”, zegt Guijt. „En dan ook bij ziekte. Momenteel is de docentenmarkt krap. Wij hebben ook weinig ervaren docenten. Onze jonge leraren hebben eigenlijk meer begeleiding nodig. Daar investeren we nu ook in.” Guijt vindt dat het inhoudelijk meestal wel goed zit, maar dat ze vooral moeite hebben met pubers begeleiden. „Maar dat is ook lastig.”

De lerares verzorging heeft vooral moeite met de leerlingen die niet willen. „Sommigen moeten van hun ouders naar deze school omdat het een islamitische school is, maar ze willen eigenlijk niet. Deze jongeren praten vaak slecht over de school en zijn ongemotiveerd. Die halen het niveau omlaag.”

Twee derde van de leerlingen op het ICA zijn meisjes. Guijt: „Jongens krijgen toch meer vrijheid. Als zij naar een andere school willen, gaan ouders daar eerder mee akkoord. Voor hun dochters willen ze het beste.” Of het ICA ook de beste school is, valt nu zeer te betwijfelen. Ook de ouders zijn ongerust over het onderwijsniveau. Geef het ICA nog een paar jaar de tijd en dan staat de school als een huis, betoogt de rector.

Guijt: „Waar we nu staan is niet goed. Dat weet ik. Maar het is een vertrekpunt. Er gingen veel kleine dingen verkeerd. Soms vraag ik me ook af: ’Hoe heb ik dat over het hoofd kunnen zien?’ Het rooster bijvoorbeeld, of het ontbreken van surveillanten tijdens examens. Met een beginnend team zijn dat nog zaken die niet automatisch goed lopen. Zulke kleine problemen veroorzaken grote klachten en leveren vervolgens slechte resultaten op. Maar de resultaten worden beter, dat zien we dit schooljaar al. Ik heb daar echt vertrouwen in.”

Wat moet er echter in de tussentijd van de leerlingen terechtkomen? Guijt: „De lichting scholieren die al van school af is, heeft inderdaad te lijden gehad van onze fouten door onervarenheid. Daarom is er nu ook meer leerlingbegeleiding. Als het niet goed gaat met iemand, zitten we er bovenop. We konden dat gewoon niet eerder constateren. Pas als je een gevulde bovenbouw hebt, kun je zien hoe het ervoor staat.”

Met Souad is het wel goed gekomen. „Het is wel lastig dat ik de enige studente met een hoofddoek ben op de pabo. De lesstof is niet te moeilijk. Ik beheers het Nederlands ook hartstikke goed en mijn ouders steunen me. Maar ik voel me buitengesloten. Soms vragen de andere studenten als ze horen dat ik op een islamitische basisschool heb gezeten, of ik wel een cito-toets gedaan heb. Wat denken ze wel, zeg? Dat ik naar de havo en de pabo mocht omdat ik een zielige moslima ben? Natuurlijk heb ik een diploma.” En met allemaal hoge cijfers, zegt haar oud-lerares trots.

Souad is een gefingeerde naam. De lerares verzorging wilde niet met haar naam in de krant.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />