*

 

Schoolprestaties / Doe iets meer voor kwaliteit in onderwijs

door Paul Jungbluth − 03/12/06, 22:54

Het jaarlijks overzicht in Trouw van hoe scholen het doen is slechts een eerste stap naar kwaliteitscontrole. Voor valide resultaten is meer nodig.

Tja, waartoe leiden de rapportages van Trouw over de prestaties van scholen? Laten ouders zich erdoor leiden? Worden huizen rondom de betere scholen duurder? Of was dat al zo? Willen leerkrachten er liever werken? Of was dat al aantrekkelijker vanwege het publiek? Zijn de kwaliteitstabellen van de Inspectie eigenlijk een soort ’middle-class league tables’ en zeggen ze meer over de instroom dan over wat de school daarna nog vermag?

Het zijn legitieme vragen bij het dit jaar jubilerende overzicht (zaterdag 2 december werd voor het tiende jaar het Trouw-onderzoek naar schoolprestaties gepubliceerd). Wat is de zin van die ordening van scholen, wat pretendeert ze en werkt dat ook?

Kwaliteit demonstreren is de logische tegenhanger van schoolautonomie: laat maar zien, scholen, wat je ervan bakt. We legden de ’Zoetermeerse’ regelneverij grotendeels plat en nu verwachten we (nou ja: sommigen van ons) van marktwerking dat die instaat voor handhaving, zelfs verbetering van kwaliteit.

Trouw is in dat gat gesprongen en publiceert wat de Inspectie verzamelt. Ouders kijken ernaar voor ze een school kiezen. Hoeveel keuze hebben ze eigenlijk? Geven prestaties daarbij de doorslag? Vragen zonder antwoord.

De werkelijkheid van scholen is minder eendimensionaal dan romantisch ingestelde onderwijskundigen lief is. Waar je veel leert, hóeft het niet prettig te zijn. Dat leerkracht A een juweel is, zegt niets over zijn collega’s. Prettig management garandeert geen hoge schoolprestaties. Wie goed kan rekenen, hoeft niet lekker in zijn vel te zitten en goed gecoachte pubers mobiliseren niet per se al hun talenten.

Argumenten genoeg om de kwaliteitsvergelijking van scholen kritisch te bezien. Het risico bestaat in de opzet van Trouw dat die school als beste uit de bus komt, die veel leerlingen beneden hun niveau laat opereren: goede cijfers, weinig doubleurs. Veel schoolkwaliteit, weinig verheffends.

Anderzijds kan een school nauwelijks de externe succesfactoren manipuleren, waarvoor Trouw helaas nauwelijks corrigeert. Het cultureel en sociaal kapitaal en heus ook het gewone kapitaal dat leerlingen van thuis meebrengen zijn zo essentieel voor schoolsucces dat ze het begrip ’aanleg’ behoorlijk relativeren. Mochten scholen desondanks vrijwillig een portie kansarmen meenemen in de strijd tegen segregatie, helaas, dan belonen de tabellen dat bepaald niet.

Kwaliteitsvergelijking van scholen hapert nog. Op de ene school ontwikkelen meer meisjes een talent voor bèta dan op de andere, hangt dat misschien samen met de verdeling van bevoegdheden in de teams? We weten van het verband tussen Cito-score en de latere profielkeuze, maar ligt dat overal gelijk?

De meeste voortijdige schoolverlaters scoren tien jaar eerder slecht bij lezen; welke school zullen we de drop-out aanrekenen? Kortom, echte professionalisering moet in het onderwijs nog beginnen. Met zo weinig meet- en regeltechniek zouden onze broodbakkers nu nog zweren bij wijwater en schietgebedjes.

Voorbije kabinetten hebben de zorg voor de onderwijskwaliteit bij de scholen zelf gelegd. Als je afgaat op hun gelikte jaarverslagen en hun foldermateriaal, staat Nederland er florissant bij. Helaas steekt die reclame schril af tegen de aanhoudende treurigheid waarvan CBS en SCP verslag doen. De politiek lijkt in reactie daarop – samen met de bonden en de onderwijsraad - te gaan koersen op herpositionering en kwalificering van de leraren: intercollegiale controle en evidence-based professionaliseren.

Ook dat kan niet zonder nog veel diepgravender metingen dan die in Trouw. Externe resultatencontrole is dan ook de trend.

In Duitsland zijn de internationale PISA-vergelijkingen ingeslagen als een bom. De sociale kansenongelijkheid blijkt er desastreus te zijn, en de regionale kansenongelijkheid onaanvaardbaar hoog. Er wordt intensief ’nader onderzocht’, ook politiek.

Vlaanderen stoomt op in de tabellen door de Walen uit België weg te rekenen; onwaarschijnlijk grote kansenongelijkheid. Niettemin geeft Vlaanderen zijn achterstandsbeleid met recht prioriteit één.

Het Amerikaanse edweek.org meldt deze week dat er in drie staten metingen worden uitgevoerd naar de Adequate Yearly Progress. Die gedwongen meting vloeit voort uit de federale wet No Child Left Behind. Wie weet in Nederland eigenlijk welke scholen effectief werken aan kansengelijkheid? Onze minister niet, in ieder geval.

De deugdelijkheid van het onderwijs is wettelijk gegarandeerd en grondwettelijk mag niemand worden achtergesteld. Eigenlijk dus: overal het best mogelijke onderwijs. Dat is goed voor de leerlingen zelf, goed voor onze economie, het scheelt uitkeringen en criminaliteitsbestrijding en het bevordert de sociale cohesie.

De tabellen in het jaarlijkse prestatieonderzoek van Trouw zijn niet meer dan een eerste stap, valide kwaliteitscontrole vereist meer diepgang. Daarvoor mogen de Inspectie en de universitaire onderzoekswereld zich heus wat breder maken. En de politiek blijft eindverantwoordelijk.

Dr. Paul Jungbluth is onderwijssocioloog aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

www.trouw.nl/schoolprestaties2006

mailIcon print |