Theodore Dalrymple (geboren als Anthony Daniels in Londen, 1949) is schrijver en psychiater. Tot voor kort was hij werkzaam in een ziekenhuis en een gevangenis in een Engelse achterstandswijk. In zijn essays levert hij kritiek op ’het gemakzuchtig cultuurrelativisme en het overboord gooien van elk maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef’. Zijn onorthodoxe opvattingen over heroïneverslaving – volgens Dalrymple een moreel of mentaal probleem – zijn te lezen in het onlangs door Nieuw Amsterdam uitgegeven boek ’Drugs. De mythes en de leugens’.
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
„Ik geloof niet in God en ik heb ook geen pasklaar antwoord op de vraag waartoe wij hier op aarde zijn. Het enige wat ik daar over kan zeggen, is dat ik mij bevoorrecht voel dat ik mij bezig kan houden met zaken die ik zelf als buitengewoon interessant ervaar. Het maakt niet uit of je, zoals ik, schrijft over misstanden in de samenleving, of dat je je hevig interesseert voor het wonderbaarlijke leven der insecten: zo lang het je bevrediging geeft – en je er een ander geen schade mee berokkent – is het goed. Daar zit volgens mij een deel van het probleem van onze tijd: de mens wordt geboren met het verlangen boven het leven van alledag uit te stijgen, terwijl het maar weinigen lukt een passie te vinden die hun bestaan daadwerkelijk meer voldoening geeft.”
Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
„Beeldende kunst kan ervoor zorgen dat je het gevoel krijgt deel uit te maken van het verleden, het heden en de toekomst. Niet bovennatuurlijk, maar tóch groter dan jezelf. Ja, kunst en religie kunnen eenzelfde rol vervullen, al ontstaat de sociale bruikbaarheid – en het gevaar – van religie vanuit de overtuiging dat wat er over het menselijk leven wordt gezegd ook wáár is. Je kunt niet zeggen: ’Het lijkt me wel handig om rooms-katholiek te zijn, dus vanaf nu bén ik het ook.’
Wat dat gevaar betreft: als u zegt rooms-katholiek te zijn, zal ik niet proberen u te ontmoedigen, bent u een moslim, dan zal ik daar iets minder blij mee zijn. Binnen de huidige islam bestaan opvattingen die gevaarlijk zijn voor de maatschappij waarin ik leef en waarin ik graag wil blijven leven. Ik ken geen evangelisch verlangen om naar een moslimland te trekken om de mensen daar op andere gedachten te brengen, maar ik wil ook niet dat ze mij, in mijn land, domineren. En dat is nou precies wat orthodoxe moslims willen. Niet de ’gewone’ moslims, die hun dagelijkse leven leven, vormen het gevaar, nee, het is de doctrine zélf en de bereidheid van fundamentalisten om die doctrine uit te voeren. Daar verzet ik mij tegen.”
Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
„Ik wil over religie kunnen zeggen wat ik wil, maar dat betekent nog niet dat ik de behoefte heb de hele dag door mensen te beledigen. Hoewel er natuurlijk een verschil is tussen beledigen en onderzoeken of dingen die men beweert waar zijn. Als een moslim het niet leuk vindt dat ik zijn doctrine onder de loep neem, dan heeft ie gewoon pech. Het staat ons allen vrij kritiek te leveren. Daar zie je ook meteen de extreme zwakte van de doctrine: als je iets onaardigs over de profeet Mohammed zegt, loop je het risico de rest van je leven in het gezelschap van bodyguards door te moeten brengen. Nee, daar houd ik geen rekening mee. Ik ben geen islamoloog en alles wat ik over de islam lees is vertaald, maar ik geloof toch dat ik niets opruiends zeg als ik beweer dat Mohammed een gewapende overvaller was. Een perverse tiran? Nou, we kunnen de tirannieke aspecten van de islam moeilijk over het hoofd zien. Bij mijn weten verdienen afvalligen nog altijd de doodstraf. Waarmee ik niet wil zeggen dat alle moslims klaarstaan om die wet toe te passen. Ik geloof dat de meerderheid zich niet met dit soort extremen bezighoudt.
Volgens mij is openheid de enige oplossing. We moeten openlijk kritiek op elkaars opvattingen kunnen uiten. Wie dat niet kan, moet het leren en wie het niet wil leren, moet maar ergens anders gaan wonen. Ja, ook de mensen die al dertig, veertig jaar deel uitmaken van een westerse samenleving. Wie zich na al die jaren nog gekwetst voelt als iemand iets over de islam zegt – en zelfs wil verhinderen dat er überhaupt kritische dingen over zijn geloof worden gezegd – zou zich moeten afvragen of hij niet in de verkeerde maatschappij verblijft.”
Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
„In Engeland heb je de Lord’s Day Observance Society, die zich, onder andere, tegen de koopzondag keert en ik moet u eerlijk zeggen dat ik wel met deze club sympathiseer. Het idee dat winkels vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, driehonderdvijfenzestig dagen per jaar, geopend moeten zijn – alsof de mogelijkheid te kunnen winkelen de zin van ons bestaan is – stuit mij zeer tegen de borst. Er moet een dag rust zijn. Tijd voor contemplatie. Het valt mij ook op dat veel mensen de dag niet meer zonder elektronische stimulatie kunnen doorbrengen. Radio, televisie, muzak in de winkelcentra: altijd en overal herrie. Ik denk wel eens dat mensen bang zijn geworden voor hun eigen gedachten.”
Eer uw vader en uw moeder
„Ik heb mijn ouders, gedurende de eerste achttien jaar van mijn leven, nauwelijks met elkaar horen praten. Zelfs op mijn vaders sterfbed – toen ze al jaren gescheiden leefden – ging het mis. Mijn vader zei: ’Zeg maar tegen je moeder dat ze langs mag komen, als ze dat wil’, waarop mijn moeder mij de volgende boodschap liet terugbezorgen: ’Als je vader wil dat ik kom, moet hij dat maar zeggen.’ Nee, ik heb, wat dat betreft, geen gelukkige jeugd gehad, al moet ik daar meteen bij zeggen dat ik niet beter wist. Sterker nog: ik kon me oprecht verbazen over de ouders van vriendjes die elkaar wél iets te vertellen hadden. Als kind accepteer je de dingen zoals ze zijn. Bovendien zorgde de situatie thuis ervoor dat ik mij heel intens in andere dingen ging verdiepen. Ik vond het leuk op school, interesseerde mij voor van alles; er was voldoende compensatie.
Mijn vader had ook goede eigenschappen – hij is, in tegenstelling tot veertig procent van de Britse vaders vandaag de dag, nooit weggelopen voor zijn verantwoordelijkheden – maar hij heeft toch vooral met zijn slechte eigenschappen het goede voorbeeld gegeven. Welke? Ehm* het zou niet fair zijn om hem wreed te noemen – zo vaak sloeg hij mij niet – maar ik kan niet ontkennen dat hij er met zijn slechte humeur voor zorgde dat er altijd een angstige spanning in huis hing. Hij werd boos om de kleinste dingen. Thuis en in zijn bedrijf. Ook tegen personeel was hij agressief en onredelijk. Ik heb van mijn vader geleerd hoe ik mij niet moest gedragen.
Liefde? Op een vreemde manier heeft mijn vader vast wel van mij gehouden, maar hij heeft het in ieder geval niet laten merken. Met mijn moeder had ik ook een moeilijke relatie. Ze was erg afstandelijk. Dat is op foto’s letterlijk te zien: ze staat steeds een eindje bij ons vandaan. Maar je moet wel weten dat ze geen gemakkelijk leven heeft gehad. Mijn moeder is in 1939 voor de nazi’s uit Duitsland gevlucht, heeft haar ouders nooit meer terug gezien. Haar eerste verloofde, een RAF-man, kwam om tijdens de verdediging van Malta. O ja, dit ontdekte ik toen ze was gestorven en ik haar papieren in mijn bezit kreeg: een rijke oom van mijn moeder – die al in eerder in Engeland was neergestreken en fortuin had gemaakt – weigerde in 1939 voor zeventig pond garant te staan, waardoor uiteindelijk mijn grootouders en mijn tante naar het ’goedkopere’ Shanghai hadden moeten uitwijken. Mijn moeder is die man altijd blijven opzoeken – hij was haar enige familielid – maar ik herinner me nog goed dat ze liever niet had dat ik haar tijdens die bezoekjes vergezelde omdat hij, volgens haar, een ’onaardige man’ was.
Ik kan niet zeggen dat ik een leven lang medelijden met mijn moeder heb gehad – ze reageerde niet bepaald constructief op de omstandigheden – maar hoe zou ik haar iets kwalijk kunnen nemen? Ik heb als zoon mijn plicht gedaan. Toen mijn vader ziek was reed ik, drie keer per week, drie uur heen en drie uur terug om hem te helpen. Ik was erbij toen hij stierf. Ook mijn moeders einde heb ik meegemaakt. Wat moet ik er verder nog over zeggen? Ik heb mijn ouders geëerd, voor zover dat mogelijk was. Ik heb niet zoveel zin om daar al te lang bij stil te blijven staan* Ja, natuurlijk is het een treurig verhaal. Maar het is niet catastrofaal. It puts a little iron in the soul. Die zaken liggen, zoals u vast weet, behoorlijk ingewikkeld. Het gaat niet alleen over de manier waarop je bent opgevoed, het gaat ook over de vraag hoe je dénkt te zijn grootgebracht en over jouw reactie op die opvoeding. Zo heb ik een tijd lang heel erg met mezelf te doen gehad, tot ik door mijn werk in aanraking kwam met mensen die het wel duizend keer slechter hebben gehad.”
Gij zult niet doodslaan
„Ik ben voor de doodstraf, maar ik ben ook gevoelig voor het tegenargument, namelijk dat er soms vergissingen worden gemaakt waardoor de verkeerde personen worden geëxecuteerd. Of de executie van Saddam een vergissing zou zijn? Dat lijkt mij niet. Ik geloof dat het rechtvaardig is als hij wordt opgehangen. Nee, ik zou het niet zelf willen doen maar dat zegt natuurlijk niets; er zijn wel meer lastige taken die ik liever aan een ander overdraag. Ik wil niet in een slachthuis werken, ook al eet ik vlees. Maar sta me toe dat ik hier nog een ander punt maak, over geweldsmisdrijven in het algemeen. Een tijdje geleden werd een keurige mevrouw in haar winkel door drie jongens van veertien, vijftien jaar overvallen. Ze werd door een van hen haast gewurgd terwijl de andere twee lachend hun zakken volstopten. De jongens werden gepakt – wat al uitzonderlijk is – kregen een uitbrander en werden weer vrijgelaten. Als je met die jongens praat, zul je waarschijnlijk ontdekken dat hun levens bol staan van misbruik en mishandeling. En dat er niemand was om hen op het juiste pad te zetten. Dat gehoord hebbende, zou mijn woede zich van de daders verplaatsen naar de mensen die, jarenlang, het soort opvoeding hebben gestimuleerd en gesubsidieerd dat deze jongens hebben gehad. Mensen die er steeds maar van uit zijn gegaan dat de mens in wezen goed is, dat het de samenleving is die hen misvormt en je vooral erg áárdig tegen die jongens moet blijven doen – hoe slecht ze zich ook gedragen. Als dát het beleid is, moet je niet gek opkijken dat dit soort overvallen aan de orde van de dag is. Als je er niets tegen doet, zullen mensen zich almaar slechter gaan gedragen. Oftewel, om met Edmund Burke te spreken: het enige wat nodig is om het kwaad te laten zegevieren, is dat beschaafde mensen niets doen.”
Gij zult niet echtbreken
„Enerzijds moet je accepteren dat de mens nu eenmaal geneigd is tot ontrouw – en dat het dus geen enkele zin heeft om iedereen die overspelig is te stenigen – maar tegelijkertijd moet je je er wel tegen verzetten. Jazeker, je moet die neiging onderdrukken. U kijkt daar een beetje zuur bij, maar ik kan u toch echt verzekeren dat het bevechten van bepaalde driften de mens uiteindelijk gelukkiger maakt dan het – dezer dagen gebruikelijke – almaar toegeven aan iedere impuls die zich aandient. Laat ik u een voorbeeld geven. U kent de zaak van Jeffrey Dahmer? Juist, de Amerikaan die, ongeveer vijftien jaar geleden, een stuk of vijftien mannen verkrachtte, vermoordde, gedeeltelijk opat en* afijn, het is zo gruwelijk dat ik het niet precies heb willen onthouden. Waar het mij om gaat is dit: de psychiater in het proces tegen Dahmer zei dat we Dahmer zijn seksuele wensen niet konden kwalijk nemen, maar wél dat hij ze in praktijk had gebracht. Ja, het is inderdaad een tamelijk extreem verhaal, maar ik wilde dat onderscheid even aangeven.
Goed, uw voorbeeld: wat nu als ik verliefd word op de buurvrouw? Het klinkt misschien onaardig, maar ik denk dat een portie hypocrisie in zo’n geval op z’n plaats is. De kans is namelijk vrij groot dat mijn gevoelens voor haar van voorbijgaande aard zijn. Erover zwijgen lijkt mij dus de beste optie. Hypocrisie kan ook een deugd zijn. Je hoeft niet alles tegen elkaar te zeggen. Mijn vader was altijd kritisch, hij had werkelijk overal iets op aan te merken. De soep was te heet. De soep was te koud. De soep was te zout. De soep was te flauw. Niets, werkelijk niets, kon zijn goedkeuring wegdragen. Ik heb mij al heel jong voorgenomen niet kritisch te zijn over elk dingetje. Als je op alle slakken zout legt is het onmogelijk een goede relatie met iemand op te bouwen.”
Gij zult niet stelen
„Mijn vader was marxist én zakenman. Hij zal het op intellectueel niveau vast eens geweest zijn met de stelling dat grote rijkdom diefstal van de armen is, maar hij heeft er in ieder geval niet naar geleefd. Ik vind zo’n uitspraak overigens getuigen van weinig begrip van het wezen van de economie. Alsof er een vaste hoeveelheid rijkdom in de wereld is, alsof het geld dat ik heb, het geld is dat u niet heeft. Als ik royalty’s ontvang voor mijn boek kunt u mij toch niet van diefstal betichten?”
Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
„Ik koos voor een pseudoniem omdat ik niet wil dat men erachter komt over welk ziekenhuis, of over welke gevangenis ik schrijf. Ik verander ook details in de verhalen zodat mensen onherkenbaar worden. Die vermomming is nodig. Het alternatief is: er helemaal niet over schrijven. Het zijn ook niet zomaar wat anekdotes; ik probeer te laten zien waar die verhalen voor staan in onze samenleving. Nee, ik dik niets aan. Integendeel! Ik zwak het juist af, probeer zaken met een grap te brengen – terwijl het helemaal niet zo grappig is. Dat ik voor drie van mijn boeken die hier, in Nederland, wel zijn uitgegeven geen Britse uitgever kon vinden, is veelzeggend: het is een ongemakkelijke waarheid. Nou ja, waarheid* ik kan natuurlijk niet beweren dat het De Waarheid is, maar het fenomeen dat ik beschrijf, bestaat wel degelijk. Neem, bijvoorbeeld, de toename van openbare dronkenschap in Engeland. We kunnen discussiëren over de vraag hoe het zo ver heeft kunnen komen, of opvattingen uitwisselen over de ernst van de zaak – er zijn mensen die zeggen: so what? Laat ze lekker dronken zijn! – maar wat mij nogal onzinnig lijkt is ontkennen dat het zo is. En toch gebeurt het. Dalrymple liegt! Nee, waarom zou ik mij daar iets van aantrekken? Ik word pas boos als een beschuldiging terecht is.”
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
„Vroeger droegen wij allemaal een schooluniform. Iedereen was gelijk. Niemand wilde weten hoeveel je schoenen hadden gekost of van welk merk je truitje was. Het vervult me met afschuw als ik zie hoe kinderen tegenwoordig tegen elkaar lopen op te bieden. Dit soort vertoon wakkert het egotisme aan en vermindert, hoe tegenstrijdig dit ook klinkt, de individualiteit. Ja, ik zie dat we steeds verder afdrijven van een samenleving die ik ideaal zou noemen. U hebt gelijk als u zegt dat ik, met al mijn wensen en ideeën, op een eiland terecht dreig te komen, maar ik troost mijzelf met de gedachte dat dit uiteindelijk het lot van alle oude mensen is. Wat ik tot nu toe heb bereikt? Tja, dat is lastig te zeggen* Ik geloof dat ik van één klein hoekje van de wereld in ieder geval kan zeggen dat ik het niet langer verkeerd begrijp. Dat is al heel wat. Ik hoop natuurlijk ook dat er dingen zullen veranderen, maar een beter begrip is veel belangrijker omdat het erger is te moeten leven in een wereld die je niet begrijpt dan in een wereld die nog enige verbetering behoeft.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.