Een meerderheid in de Tweede Kamer steunt het VVD-plan om de taalvaardigheid van alle peuters te toetsen en taalachterstanden vroegtijdig aan te pakken door de voorschool te verplichten. Wetenschappers en ervaringsdeskundigen staan kritisch tegenover het plan.
Op voorschool De Pioenroos in het Amsterdamse stadsdeel De Baarsjes krijgen de vijftien peuters ieder een beker limonade. Op de doppen staan naamstickers. Eén van de meisjes wijst er op: „Me..ry..em”, zegt ze, terwijl ze naar de letters kijkt. Net doen alsof je leest en er dan lekker in het Nederlands over giebelen met een vriendinnetje. De driejarige Meryem heeft het wel naar haar zin op de voorschool, maar moet dat nou verplicht worden voor alle kinderen met een taalachterstand?
Een meerderheid in de Tweede Kamer wil dat de taalvaardigheid van alle peuters wordt getoetst en dat taalachterstanden vroegtijdig worden aangepakt. Dat bleek eind september tijdens de algemene beschouwingen toen het CDA, de PvdA en een aantal kleinere partijen de VVD-motie over de verplichte taaltoets voor peuters steunden.
Staatssecretaris Ross van volksgezondheid, welzijn en sport laat TNO nu onderzoeken welke peutertoetsen het meest effectief zijn. De onderzoekers brengen die resultaten pas in juli 2007 naar buiten. Volgens premier Balkenende kan het volgende kabinet op basis van de bevindingen van TNO besluiten wat voor peutertoets er komt.
Om de ontwikkeling van jonge kinderen met een taalachterstand vervolgens te stimuleren opperde de VVD om de voorschool te verplichten, maar daar is een wetswijziging voor nodig. Een voorschool verschilt van een peuterspeelzaal, doordat de peuters vier dagdelen per week komen spelen en de voorschool nauw samenwerkt met de basisschool.
De groepsleidsters werken met het specialistische onderwijsprogramma Startblokken (zie inzet) om de taalvaardigheid van de twee- en driejarigen te stimuleren. In de kring vertelt juf Erika de vijftien peuters bijvoorbeeld dat de pluchen poes ziek is en buikpijn heeft. Met een speelgoedstethoscoop en grote pleisters gaan de kinderen het zieke knuffelbeest beter maken. Dat vergt veel onderling overleg. Moeten ze het beest nou wel of niet een speelgoedprik geven? „Door te doen alsof ze de dierendokter zijn leren de kinderen spelenderwijs veel nieuwe woorden en dat is precies de bedoeling”, zegt Erika Roebert. Als leidster doet ze vaak mee in dat rollenspel. „Ik praat in korte zinnen en gebruik gewone Nederlandse woorden. Als ik het woord pleister gebruik, terwijl ik de pleisters knip en uitdeel, weten ze al snel wat dat betekent.” De leidsters houden ook de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van het kind in de gaten en het onderwijsprogramma wordt voortgezet in de kleuterklassen tot de kinderen zes jaar zijn.
De peuterleidster is tegen een verplichte taaltoets voor peuters. „Sommige kinderen zijn nog heel stil als ze twee zijn, terwijl ze soms thuis wel durven te praten of al wel veel woorden kennen en begrijpen”, zegt Roebert. „Als het kind eraan toe is om te gaan praten, komen ze na weken ineens met een hele zin.”
Op dit moment verwijzen consultatiebureaus in Amsterdam kinderen met een taalachterstand al veelvuldig door naar een voorschool in de buurt. „Daar is dus geen verplichte peutertoets voor nodig”, vindt orthopedagoog en spraakpatholoog Sieneke Goorhuis-Brouwer. „Dat plan is een politieke stunt. Het past feilloos in het beleid van Rita Verdonk van de VVD om iedereen Nederlands te laten spreken.” Volgens Goorhuis-Brouwer is er pas sprake van taalachterstand als een kind van twee tot tweeënhalf jaar nog geen opdrachtjes met twee woorden begrijpt, geen tien woorden zegt en ook niet in staat is om af en toe twee woordjes achter elkaar te zeggen in de taal waarin het wordt opgevoed. Meer hoeft een kind op die leeftijd nog niet te kunnen.
Toch zijn er allerlei manieren om kinderen samen te laten spelen, waardoor ze meer gaan praten.
„We hebben bijvoorbeeld een verteltafel”, zegt Roebert. Ze wijst op een tafeltje met een kleurig prentenboek. „Het gaat over een hondje dat niet kan slapen. Bij het boek horen allerlei attributen: er staat een mandje, een wekker en het stoffen hondje ligt ernaast. Dat verhaaltje lees ik in allerlei varianten voor. Vervolgens mogen twee kinderen samen met dat boek en het bijbehorende speelgoed spelen. Dan doen ze vaak net alsof ze het verhaal voorlezen, want echt lezen lukt natuurlijk nog niet. Hele verhalen zelf fantaseren vinden ze leuk en het prikkelt de kinderen om er samen over te praten.”
In stadsdeel De Baarsjes is voorschool De Pioenroos in hetzelfde pand gevestigd als de openbare basisschool Rosa Boekdrukker. „Daardoor weten veel ouders met oudere kinderen al van het bestaan van de voorschool en komen ze de jongere broertjes en zusjes zelf aanmelden”, zegt coördinator Gerda Meijerink. „Ouders horen ook wel via vrienden en kennissen van onze voorschool en veel nieuwe kinderen worden doorverwezen via het consultatiebureau en het Ouder en Kindcentrum.” In dat centrum werken verloskundigen, de kraamzorg, het consultatiebureau en opvoedingsondersteuners nauw samen om gezinnen te begeleiden tot de kinderen naar de basisschool gaan.
Artsen en verpleegkundigen op het consultatiebureau vragen ouders nu ook al naar de taalontwikkeling van hun peuter. Ze reageren meestal extra alert als ze horen dat de kinderen thuis geen Nederland leren spreken, omdat ze in een andere taal worden opgevoed”, zegt Hanneke Stoppelenburg van de Amsterdamse welzijnsorganisatie Akros. Anneke Heeg, teamleider van het Ouder en Kindcentrum Westerpark en het centrum in de De Baarsjes, bevestigt dat. „De artsen en verpleegkundigen op het consultatiebureau checken volgens een speciaal protocol of een kind naar de voorschool moet worden doorverwezen. Dat gebeurt als een kind elf en veertien maanden is. Soms verwijzen we ook door naar onze eigen logopedist, die dan kijkt hoe het met de taalontwikkeling van dat kind is.”
Als kinderen worden doorverwezen naar de voorschool, gaat het consultatiebureau na of de ouders het kind daar ook aanmelden. Een verplichte peutertoets met een bindend advies om een kind naar de voorschool te sturen gaat Heeg te ver. „We werken al met afgesproken richtlijnen om kinderen te verwijzen naar de voorschool, als dat noodzakelijk is. Je kunt ouders wel verplichten om het kind aan te melden, maar het zou beter zijn als de voorwaarden waarop een kind naar de voorschool kan, verbeteren. Ouders betalen nu nog voor de voorschool, die kosten zou men kunnen verlagen. Ouders willen wel als het goed is voor de ontwikkeling van hun kind.”
Volgens coördinator Meijerink van de voorschool levert een intake al veel informatie op. „Ik observeer hoe het kind met zijn moeder communiceert en of het al kalm op zijn stoeltje blijft zitten”, zegt ze. „Wat kun je nou precies meten met een peutertoets? Zo’n momentopname blijft toch lastig. Natuurlijk kun je ouders verplichten om naar de voorschool te komen, maar mijn ervaring is dat ouders wel enthousiast zijn over de voorschool. We hebben constant een wachtlijst en tijdens het kennismakingsgesprek hebben ze vaak allerlei vragen.”
De eerste keer dat het kind in de groep is, blijft de vader of moeder er de hele ochtend bij. „Het kindje kan dan rustig wennen en de ouder ziet wat we doen”, zegt Roebert. „Met z’n allen in de kring, liedjes zingen, knippen en plakken, met allerlei spelletjes de taalontwikkeling stimuleren, samen fruit eten.”
De peuters op voorschool De Pioenroos helpen elkaar spelenderwijs flink op weg, terwijl ze samen fruit eten. „Banaan”, zegt Amine, terwijl hij een hapje van een partje appel neemt. „Nee”, corrigeert Meryem naast hem gedecideerd. „Is niet een banaan, is een appel. Kijk, ik heb een sinaas.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.