*

 

Holocaust- vergelijkingen / Een drastische metafoor

door Seije Slager − 24/10/06, 22:28

Tineke Huizinga had kunnen weten dat ze verontwaardiging zou wekken, toen ze het uitzettingsbeleid van minister Verdonk vergeleek met de deportaties in de Tweede Wereldoorlog. Dat gebeurt eigenlijk altijd.

Ze had ook kunnen weten dat je zulke vergelijkingen, of ze nu terecht zijn of niet, maar beter niet kunt maken. „Ze werken namelijk altijd contraproductief”, zegt David Barnouw, onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Om zichzelf meteen te verbeteren: „Tegenwóórdig werken ze altijd contraproductief. Ik kan me nog herinneren dat Loe de Jong in de jaren zestig wel eens op tv kwam om te vertellen dat het leger meer tanks nodig had. Want in de Tweede Wereldoorlog hadden we er daar ook te weinig van gehad. En of het nou door hem kwam of niet, dan kwamen die tanks er ook.”

Destijds waren zulke vergelijkingen minder omstreden dan tegenwoordig. „Iedereen haalde de oorlog te pas en te onpas overal bij”, zegt Barnouw.

Om het verschil aan te geven met de manier waarop wij tegenwoordig met de oorlog omgaan, memoreert hij: „In de jaren zestig werden er, in de euforie rondom het Amerikaanse ruimtevaartprogramma, nog Nederlandse straten vernoemd naar Werner von Braun. Pas in de jaren tachtig herinnerde men zich ineens weer dat die man ook nog wat aan V1 en V2-raketten geknutseld had voor de nazi’s. Toen zijn die straten weer hernoemd.” Naarmate de oorlog verder in het verleden komt te liggen, kijken we er met een steeds absolutere blik tegenaan, constateert Barnouw.

Nog zo’n voorbeeld: „Als je in de jaren zestig had gevraagd wat het belangwekkendste aspect van de oorlog was, had men over het algemeen de hongerwinter genoemd. Nu is dat natuurlijk de holocaust.”

Nu de Tweede Wereldoorlog synoniem is geworden met de schande van Auschwitz, lijkt die ook meer dan ooit te gelden als een maatstaf voor het absolute kwaad. En dagelijkse politieke beslommeringen laten zich lastig vergelijken met zulke absolute categorieën. Met als resultaat dat wie dat toch probeert, steevast een honende goegemeente over zich heen krijgt.

Dat vindt de Groningse hoogleraar theoretische en intellectuele geschiedenis Frank Ankersmit niet helemaal terecht. „In abstracto kun je alles met alles vergelijken. Het is alleen de vraag of de vergelijking zinvol is. Als je Europa met de kleur groen vergelijkt, dan is dat niet zinvol. Als je Europa met de Verenigde Staten vergelijkt, dan kan dat wel nuttige inzichten opleveren.”

Dat een vergelijking met de holocaust behalve inzichten ook verontwaardiging kan opleveren, ondervond Ankersmit zelf, toen hij zich een paar jaar geleden mengde in het debat over de bio-industrie. „Ik heb toen gebruik gemaakt van een boek van de socioloog Zygmunt Bauman om te concluderen dat er best een paar zinnige parallellen vallen te trekken tussen de bio-industrie en de concentratiekampen.”

Van alle verontwaardigde reacties vond hij de volgende nog het meest frappant: „Uit sommige Joodse kringen kreeg ik het verwijt dat het schandalig was dat ik Joden met varkens durfde te vergelijken. Zo had ik zelf natuurlijk nog nooit over mijn vergelijking nagedacht!”

Dat voorbeeld geeft wel te denken over de paranoia in sommige Joodse kringen, vindt Ankersmit. Maar tegelijkertijd geeft het aan dat een vergelijking nooit helemaal ’constaterend’ is: „Er zit ook altijd een performatief aspect aan.”

Wat bedoelt hij daar precies mee? „Als je een gebeurtenis als de holocaust erbij haalt, dan gebeurt er meer dan het naast elkaar leggen van gebeurtenis A en gebeurtenis B, en het vervolgens trekken van droge conclusies. De holocaust is zo’n gelaagde en symbolisch geladen gebeurtenis, dat hou je niet uit de vergelijking.”

Dat merkte Ankersmit toen hij ooit in de Volkskrant betoogde dat Israeli’s misschien meer inzicht in hun conflict met de Palestijnen zouden krijgen, als die met een jodenster op zouden gaan lopen. „Daar zat wel een bewust performatief aspect aan. En het lokte ook veel boze reacties uit. Het was misschien wel een beetje naïef.”

Wanneer is een vergelijking met de holocaust nou precies geoorloofd, volgens Ankersmit? „Je moet zeer terughoudend zijn met het maken van zulke vergelijkingen, zeker als politicus. Je moet eerst goed de pro’s en contra’s afwegen. Veel politici hebben eerst hun morele oordeel klaar, en zoeken daar dan een heel drastische metafoor bij, en komen zo uit bij de Tweede Wereldoorlog.”

Zoals dat vorige week gebeurde: „Die Tineke Huizinga, die flopst het er zomaar uit, om een moreel signaal af te geven. Maar ze geeft geen duidelijke analytische onderbouwing van haar vergelijkingen. Dat doen wij in de wetenschap wel, als we zo’n vergelijking trekken. Dan stellen we eerst een analytische basis vast van waaruit we gaan redeneren, en van daaruit komen we tot uitspraken. Het mag dus, als je met het hele verhaal komt, en niet zomaar wat roept.”

David Barnouw is evenmin op voorhand tegenstander van iedere vergelijking met de Tweede Wereldoorlog. „In sommige situaties kun je er wel wat van leren. Als de VN bijvoorbeeld in Bosnië en Kroatië burgemeesters van buiten benoemt, dan is het best zinvol om te kijken hoe de loyaliteiten bij de beruchte ’burgemeesters in oorlogstijd’ lagen.”

Toch vindt Barnouw de vergelijkingen vaak overbodig. „Mensen gebruiken ze als ze geen andere argumenten meer hebben. Mijn persoonlijk favoriete dieptepunt was toen pitbulleigenaren bij een demonstratie met jodensterren op gingen lopen, omdat ze zich als tweederangs burgers behandeld voelden. Maar ook bij een onderwerp als racisme – dat is toch erg genoeg zonder dat je die oorlog erbij moet halen? En Saddam Hoessein hoef je toch niet met Hitler te vergelijken om duidelijk te maken dat het een schurk is?”

Niet alleen geldt Auschwitz in het publieke debat vaak als absolute maatstaf. Ook de keerzijde daarvan, het verzet tegen de nazi’s, is geen onschuldig vergelijkingsmateriaal. Dat merkte Jan Marijnissen, toen hij eerder dit jaar een vergelijking trok tussen de Palestijnse opstand en het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij werd gekapitteld.

Het enige vergelijkingsmateriaal uit de Tweede Wereldoorlog dat zonder geëmotioneerde reacties gebruikt kan worden, lijkt uit het ’grijze schemergebied’ tussen goed en kwaad te komen: ’burgemeester in oorlogstijd’ is bepaald geen liefkozing, maar je hoort hem vaker; en hij wekt minder verontwaardiging dan de vergelijking met iemand als Joseph Goebbels.

Ook de ’appeasement-politiek’ – in de jaren ’30 probeerden Engeland en Frankrijk de Duitse expansiedrift door middel van allerlei toezeggingen in te dammen – is tegenwoordig een dankbaar onderwerp voor historische vergelijkingen. Ayaan Hirsi Ali gebruikte die term begin deze maand bij een lezing in Kassel. Ze gaf ermee aan dat ze het gevaarlijk vindt om een millimeter toe te geven aan de radicale islam.

Of zo’n vergelijking historisch gezien nu wel of niet opgaat, heftige emoties komen er niet door vrij. Barnouw: „Bij Auschwitz zien mensen meteen de gaskamers voor zich, bij appeasement-politiek een onderhandelingstafel. Dat maakt toch wel verschil.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />