In Nederland hebben vrijwel alle leden van de Hofstadgroep een Marokkaanse achtergrond. Maar ook in Marokko zelf zijn er jongeren die radicaliseren. Julie van Traa sprak met enkelen van hen en verheldert de verschillen tussen de twee belangrijkste radicale groeperingen.
Mohammed B. is in de ogen van Abdellatif Amrin (27) een sukkel die niets begrepen heeft van de Koran. „Je moet eerst de mening vragen van zoveel mogelijk moslimgeleerden voordat je overgaat tot geweld. Niemand mag zomaar handelen uit vrije wil”, legt hij geduldig uit.
Amrin is net vrijgelaten. Mei 2003 werd hij twee dagen na de terreuraanslagen in Casablanca door de politie opgepakt, dagenlang gemarteld en door de rechtbank veroordeeld tot dertig jaar gevangenisstraf. Hij zou een terrorist zijn die zichzelf had willen opblazen, net als de twaalf zelfmoordterroristen van 16 mei 2003.
Eind november vorig jaar kregen Amrin en 163 andere salafisten gratie van de koning. Opvallend, want vlak na de aanslagen liet de staat duizenden jongens opsluiten zonder rechtvaardig proces. Volgens hoogleraar politicologie Mohammed Darif van de Hassan II universiteit is de gratieverlening een bewuste strategie. „De staat is bang dat deze jongens in de gevangenis verder radicaliseren”, vertelt hij en legt uit: „Radicaliseren begint al bij de aanhouding. Iemand die gemarteld wordt vanwege zijn geloofsbelijdenis zal snel denken: dit is geen islamitisch land.”
Amrin zit bij zijn moeder op de bank in een klein benauwd kamertje met paars behang aan de muur. Het enige raam is afgeplakt. Op straat zijn weinig auto’s, de mensen die hier wonen hebben er geen geld voor. De familie woont in een volkswijk aan de buitenrand van Casablanca.
„Ik ben onschuldig, waarom zouden ze me anders vrijlaten?”, zegt Amrin. De gevangenis is een ervaring die hem alleen maar meer heeft overtuigd dat hij de juiste weg heeft gekozen. „Ik zal er alles aan doen om de goede boodschap over te brengen”, vertelt hij.
Zijn ideaal is een islamitische wereld waar mensen gelijke kansen krijgen om te werken en te studeren. Maar vooral een wereld waarin hij zijn religie mag belijden zoals hij wil „Dan zullen de regels van de sjaria worden toegepast en zullen de mensen accepteren dat een moordenaar gedood moet worden”, zegt hij.
Maar Amrin wil absoluut niet geassocieerd worden met mensen die geweld verheerlijken. „Niemand mag zomaar een ander doden. Het mag alleen in naam van de heilige oorlog, als er binnen het islamitisch rijk overeenstemming bestaat tussen alle moslimgeleerden. Mohammed B. heeft op eigen houtje gehandeld, dat heeft niks te maken met de regels in de sjaria”, zegt hij. Verder zullen zijn opvattingen niet veel verschillen van de jongens van de Hofstadgroep, schat hij in.
Op zijn zeventiende besloot Amrin zijn leven te wijden aan Allah. Hij liet zijn baard staan en schreef zich in op een koranschool die werd gefinancierd met Saoedisch geld. Daarna had hij tijdelijke baantjes op de markt. Het liefst gaf hij vrijwillig les in de moskee bij hem om de hoek.
Nu hij terug is in zijn wijk, mijden de mensen hem. „Mijn oude vrienden zijn bang om met me om te gaan. Ik word continu in de gaten gehouden door de geheime politie”, vertelt hij. Niemand wil hem een baantje geven, lesgeven gaat ook niet meer. Laat staan dat hij ooit imam kan worden, vroeger zijn heimelijke droom. „Maar imams in Marokko worden benoemd door de staat”, legt hij uit. Voor 11 september 2001 werden ook salafisten benoemd tot imam, daarna niet meer.
De salafistische sjeiks die tot de heilige oorlog opriepen, zijn na de aanslagen van Casablanca allemaal veroordeeld tot tientallen jaren cel. Amrin heeft sommigen ontmoet in de gevangenis. Hij laat een paar foto’s zien die hij stiekem heeft gemaakt. Mannen in lange overhemden staan arm in arm lachend naast elkaar. Ze bidden in een zaaltje dat normaal gebruikt wordt als leslokaal.
„We kookten ons eigen eten en leefden afgezonderd van de rest”, vertelt Amrin. De kameraadschap spat van de foto’s af. Buiten de gevangenismuren is Amrin een stuk eenzamer.
Als je ziek bent helpt de beweging je
Op de rechtenfaculteit van de Hassan II-universiteit in Casablanca zitten mannelijke studenten rij aan rij voorovergebogen op de grond en luisteren naar een donderpreek over de dood en het hiernamaals.
Een student gaat, staande op een stoeltje, voor in het vrijdagmiddaggebed, het belangrijkste gebed van de week.
Het is de moslimbeweging Al-Adl wa Al-Ihsane die al jaren pleit voor een moskee op het universiteitsterrein. „Het moet toch mogelijk zijn om te bidden”, zegt studente Ghizlaine Elmoukthary.
Pas na aandringen wil Elmoukthary vertellen dat ze actief lid is van de orthodoxe moslimbeweging van de charismatische sjeik Abdessalam Jassin. Maar zij is een van de weinigen. De meeste studentes zeggen slechts sympathie te hebben voor de beweging. Actieve leden worden in de gaten gehouden. Een baan vinden als ambtenaar is uitgesloten. Tot de groep behoren is een teken van verzet.
De autoriteiten vrezen volgens politicoloog Mohammed Darif meer voor deze beweging dan voor de salafisten. Sjeik Yassine bekritiseerde de vorige koning Hassan II al in de jaren zeventig voor de alom heersende corruptie. De koning kon onmogelijk aanvoerder zijn van alle gelovigen met al die zedenverwildering. De sjeik verdween voor een paar jaar in een psychiatrische inrichting en kreeg daarna jarenlang huisarrest.
Het maakte de beweging alleen maar populairder. Tegenwoordig heeft elke stad een afdeling. Niet alleen studenten, ook artsen en advocaten zijn lid. Darif: „Het is de belangrijkste oppositiebeweging in Marokko, belangrijker dan politieke partijen.”
Studente Elmoukthary werd lid toen ze vijf jaar geleden als eerstejaars bedrijfskunde verloren rondliep op de faculteit.
„De leden hebben me de weg gewezengeoriënteerd. Ik weet nu beter wat er van me verwacht wordt in het leven hier en na de dood”, zegt ze met een gelukzalige glimlach. Ze vervolgt: „We zijn als een hechte familie met relaties tot in de eeuwigheid.” Als een student ziek is of huisvestingsproblemen heeft, schiet de beweging te hulp.
„Ik ben slechts een dienares van Allah”, zegt Imane, twaalf jaar oud. In een sloppenwijk aan de andere kant van de stad krijgen vijf meiden bij een van de ’zusters’ thuis les in ’veranderingen rondom de puberteit’. Imane leerde de beweging via school kennen en volgt nu drie keer per week lessen in de koran en de leefregels van de sjaria. Ze zegt optimistisch te zijn over de toekomst. Op school bidt ze in het klaslokaal, alleen, wanneer de anderen buitenspelen. „Mijn klasgenoten willen net als ik worden”, vertelt ze. Maar sommige ouders verbieden hun dochters een hoofddoek te dragen. Ze zijn nog te jong. Onbegrijpelijk, in haar ogen.
„Ons hoogste doel is mensen te ontwikkelen in hun spiritualiteit. Maar een persoon die honger lijdt kan alleen aan brood denken”, zegt Meriem Affoud, lerares Frans en hoofd van de vrouwenafdeling Casablanca. Daarom wil de Al-Adl wa Ihsane eerst een maatschappij oprichten waar mensen rechtvaardig behandeld worden en dan volgt de rest.
Volgens Affoud is het een kwestie van opvoeden. De beweging zal bijvoorbeeld nooit alcohol willen verbieden. „We moeten de mensen overtuigen zodat ze alcohol vanzelf laten staan. Niet cafés sluiten, maar zorgen dat ze leeg raken, is ons motto”, zegt ze. Ook al is het een lang gevecht, zij zullen zegevieren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.