Het heeft nog geen zin de prestaties van nieuw-lerenscholen te vergelijken met die van traditionele basisscholen. Dit blijkt uit het eerste onafhankelijke onderzoek naar deze trend.
In opdracht van het ministerie van onderwijs deed het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam onderzoek naar het nieuwe leren op basisscholen. Over de ontwikkelingskansen van deze populaire onderwijsvernieuwing zijn de onderzoekers ’gematigd positief’.
Het nieuwe leren kent felle voor- en tegenstanders. Critici vinden dat deze innovatieve scholen te weinig aan kennisoverdracht doen en leerlingen te weinig sturen. Vergelijkend onderzoek is er nog niet. En dat zit er volgens onderzoeker Henk Blok voorlopig ook niet in. De innovatieve basisscholen die hij onderzocht, zijn namelijk nog erg in ontwikkeling. Ook zijn er nog geen leerlingen die acht jaar lang op zo’n school hebben gezeten.
Bovendien heeft het nieuwe leren veel verschijningsvormen, die niet gemakkelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Mocht een vergelijkend onderzoek opvallende resultaten aan het licht brengen, dan is daarmee nog niet duidelijk of deze door een onderwijskundig uitgangspunt van het nieuwe leren worden verklaard.
Ook de ambities van de innovatieve scholen zijn volgens Blok nog te onduidelijk om zo’n vergelijkend onderzoek te rechtvaardigen.
De onderzoekers keken ook naar de inhoud van het nieuwe leren. In de praktijk blijkt dit een verzamelterm te zijn geworden voor ’een gevarieerd palet van vernieuwingsinitiatieven’. Sommige voorstanders van het nieuwe leren zetten zich daarbij tegen het oude leren af, waardoor de tegenstellingen tussen het oude en nieuwe leren ten onrechte kunnen worden versterkt.
Zo typeren zij het traditionele onderwijs als klassikale aanpak: alle leerlingen dezelfde leerstof op hetzelfde moment. Blok: „Deze kenschets kan toch bezwaarlijk als een passende omschrijving van het basisonderwijs anno 2000 gelden.”
Om toch meer grip op de inhoud van het nieuwe leren te krijgen, hebben de onderzoekers zes uitgangspunten gedefinieerd die dit onderwijs kenmerken.
Zo hebben leerlingen op deze scholen doorgaans de ruimte om ’zelfverantwoordelijk’ te leren (eigen leerdoelen opstellen, het eigen leerproces sturen), is leren nadrukkelijk een sociale activiteit (samen met medeleerlingen, onderwijzers) en zijn er nieuwe beoordelingsmethodieken (zoals het gebruik van portfolio’s).
De onderzoekers traceerden zo’n 50 basisscholen die aan deze uitgangspunten voldoen, waarvan ze er acht beschreven. Ook de scholen die maar een of twee van deze uitgangspunten hebben gekozen, zijn volgens de onderzoekers interessant. „Veel basisscholen ervaren dat de verschillen tussen de leerlingen toenemen”, aldus Blok. „Ook deze kleinschalige vernieuwingen kunnen ertoe bijdragen dat scholen aan deze verschillen meer recht doen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.