Minister Remkes moet af van het idee dat je het dalen van de criminaliteit puur kunt aflezen aan cijfertjes. Kijken naar cijfers leidt vooral tot scoringsdrift bij de politie.
Het cijferfetisjisme dat Nederland in zijn greep heeft (zie Podium van zaterdag 17 juni) speelt ook minister Remkes parten. Hij lijkt nog steeds te menen dat afnemende criminaliteitscijfers iets te zeggen hebben over verbeterde veiligheid.
In de jaren zestig van de vorige eeuw verkondigde de regering in de Verenigde Staten de War on Crime. Doel van dit programma was de criminaliteit drastisch te verminderen. Wat vervolgens ook gebeurde. Tenminste, volgens de criminaliteitscijfers. Die cijfers zijn echter niet meer dan een constructie van de werkelijkheid. Ze brengen vaak beter tot uitdrukking wat en hoe er geregistreerd wordt, dan dat ze een goed beeld geven van de criminaliteit.
De War on Crime bleek dus volgens deze cijfers een succes, doordat de streefcijfers werden gehaald. Gelukkig vroegen toen ook al een paar mensen zich af hoe dit succes totstandgekomen was. Uit onderzoeken bleek toen, dat vooral de drift om te scoren hier schuldig aan was. Het halen van de doelstellingen was namelijk een doel op zichzelf geworden. Luidde de doelstelling bijvoorbeeld dat 100 mensen opgepakt moesten worden voor een geweldsmisdrijf, dan gebeurde dat ook.
Bij een gewone caféruzie krijg je er al snel een stuk of tien bij elkaar, dus zo moeilijk is dat niet.
De vraag is alleen wat je hier nu mee bereikt. Het streefcijfer is gehaald, maar is de wereld daar nu veiliger van geworden?
In een situatie waarin de doelstellingen nog geen rol speelden handelden de politiemensen namelijk op basis enerzijds van de verworven vaardigheden om met deze situaties om te gaan en anderzijds hun ervaring met eerdere gelijksoortige situaties. Dat veranderde plotseling door het dictaat van de doelstellingen in het kader van de War on Crime. Daardoor werden streefcijfers leidinggevend in plaats van vakmanschap.
Verwacht mocht worden, dat de politie hier lering uit zou trekken. Maar nee hoor, in de jaren negentig herhaalde zich de geschiedenis in Groot-Brittannië. Wederom werd er door onderzoekers op gewezen, dat het niet alleen belangrijk is om te weten wat met een cijfer tot uitdrukking wordt gebracht, maar ook hoe dit cijfer totstandkomt. Ik spoel de film nog wat verder door. In 2003 concludeerde Ben Vollaard van het Centraal Planbureau dat cijfers in de prestatiecontracten van de politie een té centrale rol vervullen en dat hierdoor de kwaliteit van het politieproduct op bepaalde terreinen eerder verslechterd was dan verbeterd. Met preventie en nazorg zijn immers geen punten te verdienen, dus wordt daar minder aandacht aan besteed, zo stelde Vollaard onder andere vast.
Hier voegt Jaap Peters in zijn boek ’De intensieve menshouderij’ een jaar later nog aan toe dat het verwrongen kwaliteitsbegrip in de prestatiecontracten de motivatie van het politiepersoneel nadelig beïnvloedt. Politiemensen zijn namelijk professionals die hun vak willen uitoefenen. Zij zien zich echter geconfronteerd met een grote druk van bovenaf om vooral de streefcijfers in het oog te houden.
De vakman wordt hierdoor in een keurslijf geperst, een keurslijf van cijfers. Het gaat er dan niet meer om hoe hij zijn werk doet, maar wat zijn werk oplevert met betrekking tot de in de prestatiecontracten afgesproken doelstellingen.
Het is nu juni 2006 en minister Remkes komt na enkele onderzoeken tot de niet zo verrassende conclusie, dat de prestatiecontracten de aandacht afleiden van waar het nu eigenlijk om gaat, namelijk om het verbeteren van de veiligheidszorg in Nederland. Hiervan kunnen we iets leren door te gaan sturen op vakmanschap in plaats van op kale output. Daarvoor moet vastgesteld worden welke bijdrage bepaalde kenmerkende aspecten van het politiewerk direct of indirect leveren aan de veiligheidszorg. Kortom: Kwaliteitstoetsing bij de politie moet meer ingericht worden als leerproces in plaats van als afrekenmodule. In zo’n concept komen de werkprocessen in plaats van de output centraal te staan.
Het gaat dan om aspecten als leiderschap, de selectie en doorstroming van personeel, de mate waarin de continuïteit van het vakmanschap door middel van opleiding en nascholing gewaarborgd wordt en de manier waarop de veiligheidszorg is georganiseerd in binnensteden, wijken en dorpen in termen van aanspreekbaarheid, betrokkenheid bij de leefomgeving en de snelheid en correctheid waarmee een aangifte wordt behandeld.
Dat is niet de snelweg van de keiharde cijfers, maar het kronkelige pad van de geleidelijke verandering. Maar het is wél de enige manier om tot échte resultaten te komen. En het is ook de enige manier om ervoor te zorgen dat vakmensen hun vak kunnen blijven uitoefenen zonder afgeleid te worden door streefcijfers.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.