Beschamende affaire, daar aan de Universiteit Utrecht. De bestuurders riepen in mei hoogleraar Pieter W. van der Horst op het matje. In zijn voorgenomen afscheidsrede zou hij over de grenzen willen gaan van het ’wetenschappelijke betoog’. Het college van bestuur adviseerde ’dringend’ bepaalde passages te schrappen. De hoogleraar capituleerde, en sprak afgelopen vrijdag een gekuiste versie uit. Onder hevig protest – dat wel.
Nu is de academische afscheidsrede een bijzonder fenomeen. Menig hoogleraar gebruikt zijn zwanenzang om zorgelijke woorden te wijden aan de teloorgang van zijn vakgebied, appeltjes te schillen met de boven hem gestelden, gevoelige kwesties aan te snijden. Alleen daarom al is zo’n afscheidscollege doorgaans opwindender dan de inaugurele rede van een beginneling. Alleen daarom al zouden universiteitsbestuurders zo chic moeten zijn zich er verre van te houden.
Natuurlijk werkte hun bemoeizucht averechts. Hoe dom kunnen hooggeleerden zijn? Als het college Van der Horst zijn gang had laten gaan, had er vermoedelijk geen mens van wakker gelegen. Nu is het Utrechtse universiteitsbestuur de risee van academisch Nederland.
Volgens Van der Horst was de veronderstelde reactie van islamitische studenten het belangrijkste argument van het college om zich met zijn afscheidsrede bezig te houden. Die zouden zich door zijn rede zo gepikeerd kunnen voelen dat zijn veiligheid gevaar liep.
Wat had de gerespecteerde theoloog, sinds 1994 lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, willen zeggen? Hij had in zijn college de lijn willen doortrekken van de antisemitische nazipropaganda naar de hedendaagse jodenhaat in de moslimwereld. Niet eerder in de geschiedenis, wilde Van der Horst beweren, liepen er zoveel jodenhaters rond als nu. En Nederland is helaas geen eiland.
Hij wilde een en ander tamelijk ongezouten uit de doeken doen. Dat is zijn goed recht. Ook hoogleraren mogen maatschappelijke verontrusting ventileren, zeker tijdens hun laatste openbare optreden.
Bovendien is er geen woord aan gelogen. Het antisemitisme is ontwaakt uit een diepe sluimer. En je moet wel stekeblind zijn, wil je de tekenen niet ontwaren. Het gaat van de versprekingen van Gretta, via de antisemitische exegese van een Wassenaarse dominee, tot het wijdverbreide complotdenken op het web waarin ’de Joden’ en ’Amerika’ de hoofdrol spelen.
Klein voorbeeld uit eigen ervaring. Toen ik onlangs in dit hoekje lelijk deed over deze samenzweringsdenkers, waren de reacties niet mals. „Volgens mij is mevrouw Drayer Joods!’’, schreef een van de vele anonymi. Ik heb het opgevat als compliment, maar zo was het vast niet bedoeld. Zo’n zinnetje verraadt een redeneertrant die tot voor kort taboe was: Joden houden er abjecte meningen op na; wie er abjecte meningen op na houdt, móét wel Joods zijn.
Pieter van der Horst, het maakt de affaire des te onverkwikkelijker, wilde in zijn afscheidscollege niets nieuws beweren. De hoogleraar leunde, onder veel meer, op de recentelijk verschenen studie ’Van jodenhaat naar zelfmoordterrorisme’ van de Brusselse theoloog Hans Jansen. Ook moslimtheoloog Mohamed Ajouaou erkende dat dit boek ’met grote wetenschappelijke zorgvuldigheid’ was geschreven. Het bevatte geen enkel ’empirisch feit’ dat hij niet uit eigen observatie kende.
De emeritus hoogleraar heeft inmiddels zijn spijt betuigd. Hij had, vindt hij achteraf, de rug recht moeten houden, en zijn rede onverkort moeten uitspreken.
En de Universiteit Utrecht? Die heeft maandag een geruststellend schrijven doen uitgaan naar haar hoogleraren. Raadselachtigste mededeling: „Het college van bestuur screent geen afscheidsredes op inhoud en is ook niet van plan dit te gaan doen.”
Waarop dan wel? Op de d’s en de t’s? Als ik te Utrecht de wetenschap diende, zou ik er allerminst gerust op zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.