*

 

Grote verschillen in cijfers mishandeling

Harriët Salm − 24/04/07, 22:17

Twee nieuwe onderzoeken naar kindermishandeling in Nederland komen met totaal verschillende uitkomsten. Dat komt doordat ze anders van opzet zijn.

Er worden veel meer kinderen mishandeld in Nederland dan vooralsnog werd aangenomen. Ondanks de grote verschillen in uitkomsten van twee nieuwe onderzoeken is dat de treurige, eensluidende conclusie.

Tot nog toe werd het aantal slachtoffers geschat tussen de 60 à 80.000 per jaar. Maar het probleem is veel ernstiger. Het ene onderzoek spreekt van ruim 107.000 mishandelde kinderen (van 0-17 jaar), het andere van alleen al 160.000 mishandelde scholieren (tussen 12 en 18 jaar). Hoe komt het dat de verschillen zo groot zijn?

De twee onderzoeken zijn geheel anders van opzet. Zo richtte de Universiteit Leiden zich op informatie van 1100 mensen die beroepsmatig met kinderen werken en op de meldingen bij de zeventien Advies- en Meldpunten Kindermishandeling in Nederland. Op die manier kwamen gegevens los over ook de jongste leeftijdsgroepen. De Amsterdamse Vrije Universiteit richtte zich alleen op middelbare scholieren en stelde vragen aan de leerlingen zelf.

Bovendien is de definitie van kindermishandeling in het Amsterdamse onderzoek breder, waardoor meer kinderen tot slachtoffer worden gerekend. Zo wordt ernstig geweld tussen ouders, waar de kinderen getuigen van zijn, meegerekend.

Volgens de Leidse onderzoekers is de Amsterdamse methode omstreden, want vragen stellen aan scholieren zelf levert geen betrouwbaar resultaat. De Leidse hoogleraar gezinspedagogiek Marinus van IJzendoorn vindt bovendien de Amsterdamse steekproef van veertien scholen te klein. „Ze hebben wel een grote groep leerlingen gesproken, ruim 1800, maar die concentreren zich te veel op één plek. Daardoor gaan ze elkaar beïnvloeden.”

Hoogleraar jeugdhulpverlening Wim Slot van de Amsterdamse Vrije Universiteit erkent dat de steekproef van veertien scholen niet heel groot is. „Maar wij denken door het grote aantal ondervraagde scholieren wel een representatieve groep jongeren te pakken te hebben.”

Omgekeerd vindt Slot dat Van IJzendoorn te zelfverzekerd met harde cijfers komt, terwijl zijn uitkomsten ’behoorlijk aan de lage kant zijn’. „In Leiden hebben ze een gigantisch probleem gehad om alle instanties goed bij het onderzoek te betrekken. Die professionals moeten het toch van indirecte observaties hebben om mishandeling vast te stellen.” Van IJzendoorn erkent dat zijn onderzoek niet perfect is. „Wij hadden op grotere bijdragen van huisartsen gerekend.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />