Oorlogen veranderen, stelt militair historicus Martin van Creveld. Geen machtige staten bestrijden elkaar, maar staten en terroristen. En die worden alleen verslagen door wreed optreden.
Politiek correct kun je hem niet noemen. Noch bescheiden. De militair historicus Martin van Creveld schopt graag tegen de schenen van anderen, overtuigd als hij is van zijn eigen kennis over de krijgskunst en het verloop van oorlogen. Van Creveld was deze week in Nederland vanwege de presentatie van zijn boek ’De evolutie van de oorlog’.
Neem de waarschuwing in het omstreden voorwoord van het boek. Nederland zou mogelijk een keer het leger moeten inzetten vanwege ’problemen van etnische aard’. Van Creveld bedoelt daarmee dat de moslimgemeenschap in Nederland wel eens zo groot zou kunnen worden dat geweld onvermijdelijk is. „Ik heb de vrijheid van de academicus die met pensioen gaat”, reageert hij schouderophalend op de vraag of dat niet een al te boude stelling is. „We weten dat het gevaar loert. Als de islamitische minderheid op twintig procent komt, dan is dat het omslagpunt. Dan zijn ernstige problemen te verwachten: terreur, guerrilla, stadsguerrilla. Geloof en criminaliteit kunnen een explosieve combinatie vormen. Tripoli (het geweld in Libanon deze week tussen de Palestijnse splintergroep Fatah Islam en het Libanese leger – red.) begon ook met een bankoverval.”
Van Creveld wil daarmee overigens niet zeggen dat alle moslims criminelen zijn. Maar terreurgroepen, of ze zich nu baseren op geloof of niet, financieren hun activiteiten nu eenmaal vaak met misdaad. Dat gold voor de Ira, die bankovervallen pleegde. En het geldt nog steeds voor het Colombiaanse rebellenleger Farc, dat op grote schaal drugs produceert en smokkelt. Met een moslimgemeenschap die tien procent van de totale Nederlandse bevolking uitmaakt, lijkt het gevaar nog ver weg, erkent hij. „Maar het zou na 11 september 2001 niet verstandig zijn te denken dat het hier niet kan gebeuren.”
Die aanslag op de Verenigde Staten van 2001 komt vaak terug in zijn betoog. Het is een keerpunt, in die zin dat alle landen zijn gaan beseffen dat terreur ook hen kan treffen. „Wat nu bijna verdwenen is, zijn de grote oorlogen tussen machtige staten. Wat blijft, en de toekomst zal vormen, zijn allerlei vormen van opstand, guerrillastrijd en burgeroorlogen. Die zullen zich nooit over de hele wereld tegelijkertijd voordoen, maar er zijn weinig landen die zich zeker kunnen voelen in deze oorlog.”
De bestrijding van terreur wordt de grote opgave van deze eeuw, denkt hij. En keer op keer blijkt dat strijdkrachten er geen idee van hebben hoe ze er mee moeten omgaan. „Men begrijpt de werkelijke essentie van het probleem niet; er is een overschot aan strategie en tekort aan moreel. Niets is zo slecht voor het moreel van strijdkrachten dan een lange tijd te moeten vechten tegen een zwakkere tegenstander.”
Want dat is de crux: guerrillastrijders kunnen zich verborgen houden, lang wachten tussen aanslagen, de strijd ontwijken. En zo putten ze het moreel van de veel machtigere opponent uit.
Hij haalt de Amerikaanse oud-minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger aan, die zei: „Zolang de ordehandhavende troepen niet winnen, verliezen ze”. Want ook de opstandelingen weten het, stelt Van Creveld, en hij citeert vervolgens de Vietnamees Ho Tsji Minh: „Het rekken van de oorlog is de sleutel tot het succes”.
En omdat alle opstandelingen zich daarvan bewust zijn, vindt hij het immoreel dat westerse landen toch hun troepen uitzenden naar allerlei conflictgebieden waar ze niet kunnen winnen. „Laat die bruine jongens toch zelf hun conflict uitvechten.”
De internationale rechtsorde, die door dit soort interventies bevorderd zou worden, komt door de onmogelijke strijd tegen opstandelingen geen stap dichterbij, denkt Van Creveld.
Analyse van het probleem betekent nog geen oplossing, beseft hij. Maar hij weet die wel. De eerste oplossing is een variant op de Britse benadering van het conflict in Noord-Ierland. Het Britse leger heeft zich lange tijd zeer terughoudend opgesteld. Het verloor zelfs meer militairen dan de Ira strijders verloor. De Britten hebben zich niet laten provoceren en na 1972 nooit meer willekeurig het vuur geopend op menigtes. Ze pasten nooit collectieve strafmaatregelen toe en zetten niet één keer zware wapens in als tanks of vliegtuigen.
„De Britten hebben dertig jaar lang zo’n soort oorlog gevoerd.” Zo wisten ze volgens Van Creveld te voorkomen dat de opstand zich in Noord-Ierland uitbreidde. „Een Britse officier legde me uit dat het de reden is dat ze er nu nog zitten. Hij zei zelfs dat ze, terugkijkend, toch nog teveel mensen hadden gedood.”
De Britten hebben ook geprobeerd deze strategie toe te passen in Irak. Maar daar ging het mis. „Ze spreken daar niet dezelfde taal en het was tevoren eigenlijk al een onmogelijke taak om dat land onder controle te krijgen. Daar zijn een miljoen militairen voor nodig.”
De tweede oplossing is aanzienlijk minder subtiel, om niet te zeggen grof: keihard en wreed toeslaan. „Duidelijk maken dat je bereid bent alles te doen om te winnen. Niet beloven, zoals de Amerikanen in Irak, dat je zo weinig mogelijk burgers wilt doden. Dan laat je de vijand weten dat je een slecht geweten hebt, dat je bang bent om morele fouten te maken. Als je je zo opstelt, moet je de oorlog niet ingaan.”
Een goed voorbeeld van deze harde opstelling vindt hij de slachting die de Syrische president Hafez Assad aanrichtte in Hama. Die stad was in 1982 een centrum van oppositie tegen diens bewind. En die oppositie leek de overhand te krijgen. Eerdere maatregelen, zoals grootschalige arrestaties, martelingen en executies haalden niets uit. Assads broer Rifat nam vervolgens met zijn veiligheidstroepen de stad onder vuur. Tijdens de bombardementen vonden 10.000 tot 25.000 burgers de dood.
Het gaat er niet eens zozeer om dat je een massamoord pleegt, stelt Van Creveld. Het gaat er vooral om dat je meedogenloosheid toont en dat je je daar op geen enkel moment voor verontschuldigt. Hij past die benadering ook toe op zijn eigen land. „Als het Israëlische leger direct bij het begin van de Intifada keihard had toegeslagen, dan had dat waarschijnlijk op de lange duur veel levens gespaard, ook Palestijnse.”
Het is niet een benadering die past bij het concept van humanitaire interventie, zoals deze door westerse landen na de val van het communisme is ontwikkeld. Maar Van Creveld sluit niet uit dat ook het westen tot dit soort daden instaat is ’als de nood hoog is’. Maar bij een interventie in een ver land, waar het eigen bestaansrecht niet op het spel staat, is dat per definitie niet het geval. En daarom zijn die interventies gedoemd te verzanden in langgerekte worstelingen waarbij de opstandelingen uiteindelijk aan het langste eind trekken.
Dat klinkt niet erg hoopvol. Maar Van Creveld is laconiek. „Oorlog is sinds de Tweede Wereldoorlog, toen zestig miljoen mensen omkwamen, nooit meer zo verschrikkelijk geweest. Dus er is in dat opzicht wel sprake van een zekere vooruitgang.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.