*

 

Een getrouwe kopie van het Saddam-systeem

Judit Neurink − 09/07/07, 21:31

Als het geweld uit Irak is gebannen, gaat het vanzelf wel beter, hopen velen. Niets is minder waar, concludeert Trouw-redacteur Judit Neurink uit bezoeken aan Iraaks Koerdistan.

Koerdische veiligheidsagenten in Noord-Irak martelen hun gevangenen systematisch. Dat schokkende feit bracht de onafhankelijke mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch eind vorige week naar buiten. De mensenrechtenorganisatie sprak daarbij verbazing uit over het feit dat Iraakse Koerden, die toch zo geleden hebben onder de martelingen onder Saddam Hoessein, nu diezelfde methodes toepassen.

Dat gevangenen in de rest van Irak worden gemarteld is al ernstig, maar dat zelfs de Koerden zich er schuldig aan maken, geeft te denken. Die hebben al sinds 1991, toen ze in feite een autonome regio kregen, de tijd gehad met het verleden te breken. Als zij daar al niet in slagen, voorspelt dat weinig goeds voor de rest van het land.

Dat het niet lukt, blijkt wel uit het verhaal van een jonge Koerdische, die huisarrest kreeg in Noord-Irak. Ze had het aangelegd met een man zonder te willen trouwen. Haar vader, een hooggeplaatst politicus, stuurde haar naar familie in Noord-Irak. Deze in Nederland opgegroeide, hoog opgeleide vrouw zat daar min of meer gevangen omdat ze ’de eer van de familie in gevaar bracht’.

Hier botst modern met conservatief, traditie met vooruitgang. Het verhaal is symbolisch voor de situatie in Iraaks Koerdistan, waar na 16 jaar zonder Saddam Hoessein niet de voortgang wordt geboekt die je zou verwachten. Economisch wel, maar politiek allerminst en maatschappelijk nog minder.

In de rest van Irak houdt geweld verandering tegen. Maar is dat wel zo? Is het niet eerder zo dat de Irakezen zich niet kunnen losmaken uit Saddams systeem?

Irak kende onder Saddam Hoessein een systeem waarbij de partij oppermachtig was. De Iraakse Baathpartij had de macht in alle delen van de samenleving. Dat gebeurde via een systeem van cliëntelisme. Alleen leden van de partij kregen een baan bij de overheid, het onderwijs of het leger. En die partijleden hielpen hun vrienden en kennissen weer aan mooie klussen.

Overal was de hand van de partij zichtbaar. Het was niet alleen politiek slim om lid te zijn van de Baathpartij, maar ook economisch verstandig. Dat was de manier om geld te verdienen, en de partij verdiende er zelf ook aan mee. Want die eiste steeds via premies en belastingen haar deel.

Dat systeem kon in Noord-Irak al sinds 1991 op de schop. De Koerden konden na de Golfoorlog onder bescherming van de no-flyzone de Baathpartij de deur uit zetten. Maar in plaats van een nieuw systeem op te zetten, schoven ze gewoon hun eigen partijen op de vrijgekomen plek. In Irbil en omgeving was dat de Koerdische Democratische Partij (KDP) van Massoed Barzani, en in Suleymania de nieuwere Patriottische Unie van Koerdistan (PUK) van Jalal Talabani. Voor de vorm ontstonden daarnaast wel nieuwe partijen, maar meebeslissen doen die niet.

De twee grote partijen deelden Koerdistan op in twee invloedssferen. Toen na de Amerikaanse inval van 2003 voor heel Irak het systeem op de schop kon, maakte dat in Koerdistan weinig verschil. Behalve dat er nu één regering en één parlement kwam voor de drie Koerdische provincies.

Maar op lokaal niveau verandert niets. Koerdische burgers merken dat je bij de partij moet aankloppen als je iets gedaan wilt krijgen. Wie in Suleymania geen lid is van de PUK of in Irbil niet bij de KDP is aangesloten, vindt moeilijker een baan in het overheidssysteem of het onderwijs, en doet moeilijker zaken. Er werken in Koerdistan ruim een miljoen mensen bij de overheid – ongeveer een kwart van het totale aantal inwoners. De overheid is de grootste werkgever. En wie bij de overheid werkt, krijgt allerlei voordeeltjes.

Een oppermachtige partij heeft vooral ook negatieve gevolgen voor de democratie. In een democratie kan een partij worden afgestraft als de kiezers ontevreden zijn. In dit soort cliëntelistische systemen is die verzekerd van de stemmen van de kiezers die ze via banen en regelingen aan zich heeft gebonden.

Dit heeft zichtbare gevolgen in een samenleving. Het pijnlijkste voorbeeld is Halabja, de plaats die ook in het Westen synoniem staat met gifgasaanvallen. Na de aanvallen door Saddam Hoessein in 1988 (met meer dan 5000 doden maar nog veel meer blijvend gehandicapten) kreeg Halabja een museum. In de oude, op de Sovjet-Unie geënte Baathstijl (ook de architectuur kon de pagina niet omslaan) verrees aan de rand van de stad een gebouw waar foto’s en namen van slachtoffers van Saddams operatie tegen de Koerden te zien waren.

Maar verder gebeurde er weinig. Het stadje is een van de armoedigste uit de omgeving, en daardoor trekt de moskee meer gefrustreerde en genegeerde burgers dan elders. Het achterlijke ziekenhuisje kan de ingewikkelde ziekten van de slachtoffers van het gifgas niet aan. Wegen worden niet vernieuwd, de economie niet gestimuleerd.

Vorig jaar kwamen de frustraties tot een uitbarsting, toen honderden boze Koerden het museum aanvielen en in brand staken. Doe eindelijk eens iets voor ons, was de boodschap, in plaats van onze ellende alleen maar te gebruiken om steun te vragen van de wereld. Maar dat was aan dovenmansoren gericht. De partij discussieert momenteel over de wederopbouw van het museum.

Bij Saddams Anfal-operatie zijn in de jaren tachtig en negentig duizenden Koerdische dorpen vernield en de bewoners verjaagd. Veel van de boeren die dit overleefden, trokken naar de steden. Hun velden liggen braak. Sinds in 1991 de grenzen opengingen, importeert Koerdistan dat het een lust is, met name landbouwproducten uit Syrië, Turkije en Iran. De huidige economie is daar geheel van afhankelijk, terwijl veel boeren geen werk meer hebben en de weinige boeren die hun grond nog bewerken, nauwelijks meer kunnen concurreren met goedkope geïmporteerde tomaten, komkommers en appels.

In een democratie zouden zij zich roeren en zou hun roep om steun gehoord worden. Niet in Koerdistan, waar de partij er niet is voor de burgers. De partij is er alleen voor degenen die ze aan zich heeft gebonden, dus eigenlijk is het omgekeerd: de burgers zijn er voor de partij. En de partij verdient aan de import. Daarom lijkt ook niemand zich druk te maken over het risico dat de regio wel erg afhankelijk wordt van import uit buurlanden. Dat die landen de Koerdische kwestie geen warm hart toedragen, en ze daarom wel eens misbruik zouden kunnen maken van die afhankelijkheid – daarover heeft niemand het.

De handhaving van het oude systeem heeft ook gevolgen voor de ontwikkeling op andere niveaus. De samenleving moderniseert al evenmin. Enerzijds doordat de (conservatieve) boeren naar de steden zijn gedreven en daar zoals zoveel migranten vasthouden aan hun gewoonten. Anderzijds doordat de nieuwe wereld nauwelijks wordt toegelaten. Er is internet, er zijn satellietzenders – maar de inhoud ervan ademt de spruitjeslucht van de jaren zeventig in Nederland. Dansende Koerden in groene weiden op de satelliet-tv, nieuwsberichten uit een kamer vol wijdbeens zittende Koerden die volgens de voice-over belangrijke beslissingen hebben genomen. Dat burgers een mening hebben en kunnen meepraten, is geheel nieuw. En dat vrouwen een belangrijke rol kunnen spelen in de opbouw van het land al helemaal.

Wat meespeelt is dat het onderwijs al evenmin is gemoderniseerd. Dat betekent in Koerdistan nazeggen en uit je hoofd leren. De onderwijzer, leraar, docent is oppermachtig, hem of haar tegenspreken doe je niet. Zelf nadenken wordt niet gestimuleerd, ook al is er allang geen Baathpartij meer die dat afstraft. Hoe kan je een democratie invoeren als je daarmee niet al begint op school?

Je zou verwachten dat Koerdistan na Saddams vertrek de ramen opengooide, maar het is een naar binnen gerichte maatschappij. Dat merken Koerden die in Europa een opleiding volgden. Artsen, ingenieurs, politici – ze zijn in Koerdistan nauwelijks welkom. „Waar waren jullie toen wij het moeilijk hadden”, krijgen ze te horen. In feite zijn de gevestigde professionals bang voor ze, want zij brengen nieuwe kennis mee die veranderingen tot gevolg kan hebben – waarbij de oude garde op een lager plan terecht komt. Niemand zal dat zeggen, maar als je geen partijlid bent kom je het systeem niet binnen. En de eigen opgeleide jongeren gaan voor de westers opgeleide Koerden die terugkomen om hun vaderland te helpen met hun kennis.

Dat heeft ernstige gevolgen. Zoals in het Koerdische ziekenhuis dat een congres hield over weinig voorkomende ziekten aan de galblaas, en waarbij een videoverbinding was gelegd met de operatiekamer waar een patiënte werd geopereerd. Onder plaatselijke verdoving, want het ziekenhuis heeft een tekort aan anesthesie. Halverwege stapte de chirurg even binnen in de congreszaal, in zijn operatiekleding. Hij schudde handen, maakte een praatje, liep weer terug en hervatte de operatie. Zonder zijn kleding te verschonen. Iedere in het Westen opgeleide arts gruwt daarvan. Maar de oude chirurg heeft in dit ziekenhuis een naam opgebouwd. Kritiek op hem is bijna heiligschennis. Hij zal zijn gewoonten niet zo snel veranderen.

Want ook dat houdt de vooruitgang tegen: autoriteit en status zijn belangrijk. Wie een positie heeft, zal die niet snel opgeven. Een positie betekent immers status, en status betekent geld. Verandering daarentegen betekent dat een deel van de gevestigde orde in Koerdistan moet opstappen, dat ze naar jongeren moet luisteren die hun westerse ervaring willen delen om de regio vooruit te stoten in de vaart der volkeren. En hoewel de Koerden zeggen dat Europa hun grote voorbeeld is, bestaat bij individuen grote argwaan tegen alles wat westers is. De Koerdische cultuur is toch de beste. Die vrouwen in het Westen zijn veel te vrijmoedig. En democratie in het Westen is toch iets heel anders dan hier.

Wie regelmatig in Koerdistan komt, komt steeds somberder terug. Het gaat economisch goed, dus zou je ook maatschappelijke veranderingen verwachten, zoals we die in Europa in de jaren zeventig en tachtig hebben gezien. Maar in Koerdistan zit het oude systeem in de weg. Zolang politici niet bereid zijn naar hun burgers en naar adviezen van buiten te luisteren, ook als die hun eigen positie uiteindelijk zullen aantasten, zal er weinig veranderen.

Je kunt er westerse politici naar toe sturen om ze te trainen, maar daar moeten ze dan wel voor openstaan. Dan moeten ze wel bereid zijn hun hele politieke systeem te veranderen. Ook in de rest van Irak namen de verschillende groepen en fracties met de politieke arena ook het cliëntelisme over van de Baathpartij. Wie iemand kent die in de macht zit, of een overheidsbaan heeft, zit goed. Die kan delen in de winst, en dus overleven. En wie partij kiest, kan rekenen op bescherming van de gewapende arm daarvan. Wie zich tegen de partij keert, krijgt met de zware jongens van de militie te maken die aan die partij verbonden is. Sommige van de huidige Iraakse partijen worden rijk van de oliesmokkel door hun milities. Wie wil er dan aan zo’n systeem nog iets veranderen? Alleen zij die er niet van profiteren – maar zij hebben geen stem.

Tegelijkertijd neemt onder de druk van onveiligheid het conservatisme toe. Wie bang is, grijpt naar het bekende, wie zich bedreigd voelt, richt zich naar binnen, naar de veiligheid van de eigen groep. Irak is na jaren van isolement onder Saddam Hoessein nu te zeer met zichzelf bezig om naar buiten te kijken en kan niet anders dan vasthouden aan de waarden en normen die de eigen groep beschermen. Daarin is geen ruimte voor eigen inbreng, democratie of inbreng van buiten.

De mix van geweld, cliëntelisme en traditie verstikt als een woekerplant de tere kiemen van de Iraakse democratie. Of die het zullen overleven, valt te bezien. Echte vooruitgang valt de komende jaren niet te verwachten, zelfs niet in de bevoorrechte Koerdische regio.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />