*

 

Tuchtrecht in jeugdzorg is geen wondermiddel (opinie)

Iris Leene, directeur Nederlandse vereniging van maatschappelijk werkers − 20/11/07, 01:02

De roep om tuchtrecht voor de jeugdzorg is deels overbodig: het bestaat al. Maar het huidige systeem bereikt slechts drie procent van de hulpverleners.

De strafzaak tegen de gezinsvoogd van Savanna heeft geleid tot discussie over de kwaliteit van de jeugdzorg en het delen van verantwoordelijkheid. Vanuit de politiek werd opgeroepen tot de invoering van tuchtrecht. Is dat het wonder waarop jeugdzorg wacht?

Anders dan veel hulpverleners in de jeugdzorg veronderstellen, komt het tuchtrecht niet in de plaats van het strafrecht. Ook als een tuchtklacht was ingediend tegen de gezinsvoogd van Savanna had zij kunnen worden aangeklaagd. In die zin is tuchtrecht geen wondermiddel. Tuchtrecht gaat uit van (zelf)reinigend vermogen: regulering en bewaking binnen een beroepsgroep door middel van een vorm van rechtspraak door beroepsgenoten.

Basis voor de tuchtrechtspraak is de gedeelde ethiek en opvatting over goed beroepsmatig handelen. Maar de jeugdzorg is geen beroepsgroep. Het is een branche waarbinnen nog niet helder is hoe beroepsnormen zich tot elkaar verhouden. Dat is iets waarmee rekening moet worden gehouden.

Er bestaan al verschillende tuchtrechtsystemen in de jeugdzorg. Maatschappelijk werkers die op hbo-niveau zijn opgeleid en werken, kunnen zich aansluiten bij de beroepsvereniging van maatschappelijk werkers en het beroepsregister. Dat geldt ook voor andere sociaal-agogen, mits zij zich conformeren aan de beroepsethische code en verenigingstuchtrecht van de maatschappelijk werkers. Dit tuchtrechtsyteem gaat uit van vrijwilligheid.

Ook de beroepsverenigingen voor psychologen en orthopedagogen hebben een verenigingstuchtrecht, naast het wettelijk tuchtrecht. De werkingssfeer van het verenigingstuchtrecht beperkt zich tot de leden. Het beroep van orthopedagogen en de psychologen is wettelijk gekaderd.

Het probleem met het bestaande tuchtrecht ligt elders: bij de lage organisatiegraad van werkers binnen de jeugdzorg. Omdat het tuchtrecht vrijwillig is, hangt alles af van het aantal hulpverleners dat zich aansluit. De organisatiegraad is op dit moment bedroevend laag. Van de sociaal agogen – maatschappelijk werkers en sociaal pedagogische hulpverleners, verreweg de grootste beroepsgroep in de jeugdzorg – is ongeveer drie procent aangesloten bij een beroepsvereniging.

Het is daarom zaak dat werkers in de jeugdzorg zich organiseren. De beroepsorganisaties en de sector hebben daarvoor drie jaar de tijd gevraagd en gekregen.

Bij cliƫnten staat tuchtrecht niet in een positief daglicht. Zij maken zeer beperkt gebruik van de mogelijkheid een tuchtklacht in te dienen. De kennis over en het vertrouwen in het tuchtrecht is laag.

Veel cliƫnten beseffen ook niet dat tuchtrecht in eerste instantie is gericht op bewaking van kwaliteit van het beroep, handhaving van de beroepsstandaard en gedragsregels. In 2006 promoveerde Erik Hout op een onderzoek naar de effectiviteit van de wet BIG (beroepen in de gezondheidszorg). Hij concludeert dat tuchtrecht corrigeert op excessen; het draagt bij aan de status en het kwaliteitsbeeld van een beroep. Maar het zet niet aan tot normontwikkeling of kwaliteitsverbetering. En dat is juist in de jeugdzorg belangrijk.

Uit Britse studies naar de effectiviteit van psychotherapie komt naar voren, dat het effect van een behandeling voor eenderde is toe te schrijven aan de uitvoerder. De gehanteerde methodiek doet er veel minder toe: slechts 15 procent van het resultaat wordt daardoor bepaald. Er is geen reden om aan te nemen dat de Nederlandse situatie sterk afwijkt, De hulpverlener drukt een stempel.

Als de individuele jeugdhulpverlener een grote invloed heeft op het effect van een hulpverleningstraject, is investering in professionaliteit en bewaken van kwaliteit en beroepsethiek cruciaal. Om het tuchtrecht te laten functioneren als instrument om dat te bevorderen, is daarom actie nodig.

Die actie kan bestaan uit een actief publicatiebeleid en een analyse van bestaande ethische codes en profielen van beroepen in de jeugdzorg zijn. En verder de instelling van een ’kwaliteitscollege’, dat de effectiviteit en de werkbaarheid van de bestaande tuchtrechtreglementen in beeld kan brengen.

Het tuchtrecht is nog geen wondermiddel, maar biedt zeker kansen. Bovendien leidt het tot een waardevolle en juiste discussie binnen de jeugdzorg. Voor het eerst sinds lange tijd gaat het gesprek niet alleen over beleid, structuren en systemen, maar richt de aandacht zich in positieve zin op de professionals, de mensen die het doen en maken in de jeugdzorg.

De aandacht voor tuchtrecht zet de deur open voor discussie over de wettelijke erkenning van sociaal agogen. Velen zijn daar voorstander van. Het doet uiteindelijk ook recht doet aan de verantwoordelijkheid die zij dragen.

mailIcon print |