Marokkaanse jongens die hele wijken terroriseren hebben vaak een fragiele innerlijke structuur en een kwetsbare biologische bagage. Maar daarom mogen ze nog best hard worden aangepakt.
Naar aanleiding van de rellen na de dood van Bilal B. zei stadsdeelvoorzitter Marcouch dat de helft van deze reljongeren met psychische problemen kampt. Een combinatie van biologische en sociale factoren kan dit verklaren. Maar er is geen reden voor een zachte aanpak.
Uit onderzoek van psychiater Jean-Paul Selten blijkt dat Nederlands-Marokkaanse jongens van de tweede en derde generatie een zeven keer zo hoge kans hebben op schizofrenie (hersenziekte met wanen en hallucinaties) als de autochtone bevolking. Hij verklaart dit fenomeen met sociale uitsluiting (door sociaal-economische achterstand, schoolachterstand en discriminatie) waardoor zij zich vernederd voelen. Hierbij kan een vergelijking gemaakt worden met een experiment waarbij ratten in een kooi een later toegevoegde rat eruit proberen te werken. Deze nieuwe rat kan reageren met ’gek’ gedrag. Uit hersenonderzoek van deze rat blijkt dan dat het hersenhormoon dopamine is verhoogd, net als bij schizofrenie het geval is.
Omdat Marokkaanse meisjes géén duidelijk vergrote kans op schizofrenie hebben, pleit dit tegen een genetische oorzaak en dus ook tegen het idee dat huwelijken tussen verwanten iets met die verhoogde kans te maken hebben.
Dit sekseverschil valt te verklaren uit het verschil in psycho-sociale ontwikkeling tussen meisjes en jongens. Niet alleen zijn meisjes gemiddeld beter in taal waardoor zij een voorsprong hebben op school en de arbeidsmarkt, ook de andere wijze waarop zij worden opgevoed speelt een rol. In veel Marokkaanse gezinnen staat de jongen boven het meisje, en na zijn achtste jaar ook boven zijn moeder. Dochters worden kortgehouden, maar over zonen heeft moeder weinig te vertellen. Daardoor lopen de prinsjes risico op een narcistische ontwikkeling, waardoor zij eerder gekrenkt worden door genoemde sociale uitsluiting.
Sommige jongens worden al op jonge leeftijd vooral opgevoed door ’de straat’ (door oudere jongens, die status willen verwerven door zelf de dienst uit te maken en lak te hebben aan autoriteit). Jongere jongens lopen hierdoor emotioneel gevaar en om zich te handhaven en identificeren zij zich met die oudere jongens.
Sommige vaders die het qua kennis van onze samenleving afleggen tegen hun zonen, denken in hun machteloosheid en frustratie hun zonen binnenboord te houden door een restrictieve, hardhandige aanpak. Dit werkt vaak contraproductief, omdat geweld in de opvoeding onveilig gehechte kinderen geeft.
Onveilige hechting door verwaarlozing en geweld zorgt bij het kind meestal voor een ernstig tekort in de ontwikkeling van zijn reflectie en inlevingsvermogen. Daardoor kan zo’n kind uitgroeien tot een anti-sociale persoonlijkheid. Dit geldt met name wanneer zij horen bij de vijf procent kinderen die van nature weinig van het stresshormoon cortisol hebben. Zij voelen minder stress wanneer zij een ander pijn doen. Bovendien hebben deze kinderen minder van het hersenhormoon serotonine, waardoor zij een kort lontje hebben. Deze biologische aanleg komt onder autochtonen net zo goed voor als onder allochtonen en betreft zowel jongens als meisjes. Maar meisjes richten hun agressieve impulsen eerder op zichzelf, bijvoorbeeld door zichzelf stiekem te beschadigen of een suïcidepoging te doen. Terwijl jongens agressie algauw op de omgeving richten, en de samenleving er last van heeft.
Veilig hechten is voor de tweede generatie kinderen sowieso een breekbaar proces, leerde mijn onderzoekje bij eerste generatie-moeders in de Schilderswijk in Den Haag. Zij bleken soms te kampen met een gestoord rouwproces vanwege onverwerkte verliezen door hun migratie. Daardoor reageren zij min of meer ’verdoofd’ op het zoekgedrag naar veiligheid van hun kind. Dat loopt ook hierdoor risico zich niet veilig te hechten. Omdat de wijze waarop wij ons hechten van generatie op generatie kan worden doorgegeven, is aandacht belangrijk, opdat de geschiedenis zich niet blijft herhalen.
Rotjochies die hele wijken terroriseren hebben dus psychologisch vaak een fragiele innerlijke structuur door pedagogische verwaarlozing, mishandeling en sociale uitsluiting. Een aantal heeft bovendien een kwetsbare biologische bagage. De jongens ontlenen hun identiteit meer aan de straatcultuur dan aan de cultuur thuis of op school, waar zij zich vaak tegen afzetten. Na een incident kan deze mix letterlijk en figuurlijk ontvlambaar worden.
Omdat wij geen ratten in een kooi zijn maar beschaafde mensen, zouden we nog meer aandacht moeten hebben voor sociale achterstelling, zoals in opleidingen en op de arbeidsmarkt. Ook moet er meer opvoedingsondersteuning komen die zonodig verplicht wordt, waarbij desnoods gebruik wordt gemaakt van instellingen als Glenn Mills. Een poging de complexiteit van de problematiek te begrijpen, betekent namelijk nog niet dat wij zachte heelmeesters moeten zijn.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.