Hicham Hashmi uit Amsterdam Slotervaart zegt geen auto’s in brand te hebben gestoken. Drie weken geleden vertelde zijn vader in Trouw over zijn moeilijke zoon. Nu vertelt de zoon zijn verhaal.
Hicham Hashmi (18) kan zich zijn eerste ervaring in de politiecel nog goed herinneren. De Marokkaanse jongen die geboren en getogen is in het Amsterdamse Slotervaart, was toen vijftien. „Daar zat ik dan, alleen in een kale, grauwe cel op het politiebureau. Ik had geen idee wat er allemaal stond te gebeuren, wat ik allemaal moest doen. Ik was bang. En er was niemand die mij kon helpen. Een uurtje daarvoor had ik op school een klasgenoot finaal in elkaar getrapt. Tot bloedens toe. Die jongen moest naar de eerste hulp. En waarom? Omdat hij mij uitschold voor teringmokro.”
Iets knapte bij Hicham, die ooit goede cijfers haalde op de havo. „Ze zaten aan mijn eer. Niemand scheldt mij uit waar iedereen bij is. Ik schrok van mezelf. Ik had nooit gedacht dat ik die jongen zo hard zou slaan.”
Uiteindelijk liep het met een sisser af, hij kon snel weer naar huis en kreeg een taakstraf. „Ze zagen het als een uit de hand gelopen vechtpartij op een school. Ik moest een paar uurtjes schoffelen. Ze wisten toen niet wat ze van me hadden gemaakt. Daarna kon ik de hele wereld aan. Iedereen kreeg de indruk dat ik niet bang ben. En ik kwam er ook nog makkelijk met een taakstrafje af. Iedereen wist ervan. De jongens in de buurt kregen respect voor me. Ineens hoorde ik erbij. Maar thuis ging het mis, omdat ik wegens die vechtpartij van school werd gestuurd.”
Vader Khalid Hashmi schaamde zich voor zijn tweede kind. Hicham bracht schande over de familie. Sindsdien ging het van kwaad tot erger. De jongen gehoorzaamde niet meer, kreeg ’verkeerde’ vrienden en kwam op het verkeerde pad terecht. De schaamte werd voor de ouders en de grootvader die in hetzelfde huis woont, alleen maar groter. Tot op heden is die schaamte niet weggeëbd.
Drie weken geleden vertelde vader Khalid zijn verhaal aan Trouw, waarin hij zei dat er geen land met zijn zoon te bezeilen was. Hij had zelfs het plan opgevat om Hicham bij de politie aan te geven, omdat zij met die jongen misschien wel raad zou weten. Het gezin Hashmi had met Hicham een vreemde in huis. Ze waren bang dat het een keer goed mis zou gaan met hem. Zeker nadat het verhaal van Bilal B. bekend werd. Bilal B. stak twee politiemensen op het politiebureau August Allebéplein neer, waarna een van de gewonde dienders hem doodschoot. Ook vreesde het gezin Hashmi het ergste bij de rellen en brandstichtingen in de buurt na het steekincident. Khalid dacht zelfs dat zijn zoon Hicham bij de rellen aanwezig was.
„Mijn ouders zeggen dat ik een vreemde voor hen ben geworden. Ze zeggen dat ík niet meer met ze praat, maar ze zijn er zelf bij als het ineens stil wordt als ik binnenkom. Niemand die iets tegen me zegt. Mijn opa Habib buigt zijn hoofd en roept mompelend Allah aan als ik in de buurt ben. Mijn moeder kijkt verschrikt, bang dat ik iets flik, terwijl zíj juist moet weten dat ik haar niets zal aandoen. Zij is mijn alles. Alleen mijn oudere broer en mijn zusje praten af en toe met me, maar dat wordt ook steeds minder. Mijn broer gaat binnenkort trouwen en werkt fulltime en is dus weinig thuis. Mijn zusje studeert hard. Bovendien zorgt mijn vader er wel voor dat ik niet te dicht bij haar in de buurt kom. Waarschijnlijk bang dat ik verkeerde invloed op haar zal hebben. Onzin.”
Hicham vertelt zijn verhaal op zijn slaapkamer. Een ruime kamer met een houten eenpersoonsbed, een houten bureau en posters van hiphopartiesten. Op zijn deur staat een gestolen bordje met ’verboden toegang voor onbevoegden’. Een poster aan de muur van de Wu Tang Clan bladdert wat af, ’maar die is dan ook al heel oud’. In een hoekje liggen kleren en in een andere hoek wat tijdschriften, waaronder een recent exemplaar van de Playboy, ’mijn oma draait zich in haar graf om als ze dit weet’.
Ook heeft Hicham een computer met als screensaver een foto van een lichtgetint meisje met krullend haar en een ’geplamuurd’ gezichtje. „Dat is mijn vriendin. We hebben al bijna een jaar verkering. Mijn ouders zeggen van niets te weten, maar daar geloof ik niets van. Ze is half-Marokkaanse, half-Nederlands. Aïsja heet ze. Ze is echt mooi, die make up heeft ze echt niet nodig. Na mijn moeder en mijn zusje is zij de belangrijkste vrouw in mijn leven. Dat weet ze.”
Even verderop in de kamer ligt een minirugbybal, vlak onder een grote rechthoekige spiegel die aan diggelen is, ’een week of vier geleden was ik boos en moest ik even mijn agressie kwijt’. „Ik sloop liever iets op mijn kamer dan buiten de deur. Ook al gelooft niemand dat ik dat meen.”
Bij de vernielingen en brandstichtingen in Slotervaart zegt Hicham dan ook niet betrokken te zijn. „Ik zweer dat ik het niet heb gedaan. Die maandagavond na die steekpartij op het politiebureau was ik wel op straat, maar niet daar. Ik heb die lui die gingen rellen wel gezien, maar van een afstand. Ik was bij een vriend thuis en heb daar een jointje gerookt en een film gekeken. Daarna ging ik weer naar huis. Nu begrijpt iedereen vast wel dat ik rode ogen had en er gespannen uitzag. Die wiet viel me zwaar. Ik heb thuis ook nog gebraakt, want ik werd er misselijk van. Daarna heb ik niet meer geblowd. Dat weten mijn ouders niet. Ze sliepen.”
De recente gebeurtenissen in Slotervaart verrassen Hicham niet. Het moest volgens hem een keer fout gaan. „Bilal B. heeft de orde in Slotervaart in zijn hart geraakt, op het politiebureau. Jongens op straat, waaronder ook lui waarmee ik al jaren ben omgegaan, zien dat als een soort overwinning. Als je de politie pakt op het bureau, dan ben je een held voor ze. Verder dan dat kun je eigenlijk niet gaan. Toppunt van tofheid.”
Op de straten in Slotervaart heerst volgens Hicham de jeugd. Niet de ouderen, niet de ouders, maar de jongeren. En het zijn volgens hem vooral Marokkaanse jongens die in allerlei buurtjes, pleintjes en op scholen de dienst uitmaken. „Elke school, elke buurt, elk plein en elke straat heeft wel een groepje dat zich de baas voelt daar. Niemand die ze daarop durft aan te spreken. Zelfs niet de politie, geloof me, ik kan het weten.”
Deze Marokkaanse jongen zegt de straatcultuur in Amsterdam-West goed te kennen. „Ik ben op straat volwassen geworden. Sinds ik van school ben gestuurd vanwege die vechtpartij, hoorde ik ineens bij dat soort jongeren. Ik was cool en tough. Ik voelde me oppermachtig. Ik kon doen en laten wat ik wilde. En als iets me niet aanstond, dan regelden we dat even, desnoods met geweld, want niemand kwam m’n geest lullen. Als ik nieuwe Nikes wilde, werd daarvoor gezorgd. Zonder een cent ervoor te hoeven betalen. Soms werd ik betrapt voor kleine vergrijpen, diefstalletje, vechtpartijtje, maar ik stond zo weer buiten, zonder gevolgen. Als ik daaraan denk met daarbij in mijn achterhoofd wat ik mijn familie heb aangedaan, schaam ik me diep.”
Slotervaart heeft een probleem met Marokkanen, erkent de achttienjarige Hicham. De grootste allochtone bevolkingsgroep van Amsterdam-West is Marokkaans van afkomst. „Daar zitten dus ook de grootste etters tussen. Aan de rellen in Slotervaart zijn de Marokkanen schuldig. Ik vind het daarom niet gek dat iedereen ons daarop aankijkt. Die groep is verantwoordelijk voor de problemen. Maar wat mij wel ergert is dat mijn grootvader erop wordt aangesproken.”
Emoties overmeesteren hem even als Hicham aan zijn opa denkt. Zijn ogen worden vochtig, hij knippert en kijkt weg met zijn smalle gezicht onder een bos kleine krulletjes die doorgaans onder een petje zijn verstopt, maar hij vermant zich en vervolgt zijn verhaal. „Die oude man kan er niets aan doen dat ik mij heb misdragen. Mijn opa die zo loyaal is geweest voor Nederland als gastarbeider, en zo trots is op het Nederlandse koningshuis, die man krijgt de schuld van alles wat twee generaties na hem uitspoken. Dat kan echt niet. Ik ben verantwoordelijk voor wat ik doe en niet mijn grootvader, zelfs niet mijn ouders.”
Hicham heeft jarenlang de ’bekende’ problemen van de Marokkaanse jeugd zelf ervaren: geweigerd bij discotheken, het oogsten van wantrouwen, problemen op school en dan ook nog het geloof. „Moslims zijn de paria’s van Nederland. Terwijl de grootste Marokkaanse criminelen echt geen moslim zijn. Die hebben waarschijnlijk nooit een moskee van binnen gezien. Ik kom er zelf ook nooit, net als mijn vrienden. Ik ben dan ook eerlijk en zeg gewoon dat ik geen moslim ben.”
Binnenkort wil Hicham weer gaan solliciteren. Nadat hij van de havo werd gestuurd, heeft hij allerlei techniekcursussen gevolgd. „Ik hoop een baan te vinden als leerling-monteur. Misschien wel daar waar mijn vader automonteur is. Als hij dat aandurft, want zijn reputatie mag natuurlijk niet lijden onder zijn zoon”, zegt hij sarcastisch.
En de psychiater waar hij eerder is geweest? Dat ziet hij nog niet zitten. „Ik wil niet in therapie, ik ben niet gek. Ik wil op eigen kracht mijn doelen bereiken, en nooit meer de politiecel in. Ik wil een gelukkig gezin en een leuke baan, ook al denk ik dat ik als Marokkaan met een strafblad niet zo snel aan de bak kom.”
Lees het interview met de vader van Hicham op www.trouw.nl/slotervaart
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.